Skip to main content

Full text of "woltjer1929"

See other formats


LEERGANG VOOR HET LATIJN 

TEN DIENSTE VAN GYMNASIA EN LYCEA 


BEWERKT NAAR DE 
LATIJNSCHE GRAMMATICA EN OEFENINGEN 
VAN D R J. WOLTJER 


DOOR 


D R R. H. WOLTJER en D r G. W. VAN BLEEK 


I. GRAMMATICA IN 2 DEELEN 

II. OEFENINGEN IN 2 DEELEN 


BIJ J. B. WOLTERS’ U. M. — GRONINGEN, DEN HAAG, 1929 


VAN DEN UITGEVER. 


LATIJNSCHE OEFENINGEN 


DOOR 


D R R. H. WOLTJER en D r G. W. VAN BLEEK 

HOOGLEERAAR A/D VRIJE UNIVERSITEIT RECTOR V/H M ARNIX-GYMN ASIUM 

TE AMSTERDAM TE ROTTERDAM 


TWEEDE DEEL ~ TWEEDE DRUK 


Ing. f 1,90 
Geb. - 2,25 


BIJ J. B. WOLTERS’ U. M. - GRONINGEN, DEN HAAG, 1929 


LATIJNSCHE OEFENINGEN 
II 


VOORREDE. 


Voor strekking en opzet van den Leergang, waarvan thans het tweede stuk 
der Oefeningen het licht ziet, zij naar het voorbericht bij de reeds verschenen 
deelen verwezen. Overeenkomstig hetgeen daar werd opgemerkt, gaat dit tweede 
deel in de besnoeiing van de oefenstof veel verder dan ten opzichte van de 
buigingsleer mogelijk scheen. Nu de „Thema” uit het eindexamenprogramma 
geschrapt werd en het aantal uren voor het Latijn in het Leerplan verminderde, 
moet ook de tijd voor het vertalen uit het Nederlandsch worden ingekrompen. 
En we zijn er dan ook van uitgegaan, dat na de vierde klasse geen thema's 
meer worden gemaakt en dus aan het einde van die klasse dit tweede deel der 
Oefeningen moet kunnen zijn doorgewerkt. Om dit te kunnen bereiken, scheen 
het noodig de herhaling en uitbreiding van de leer der syntaxis en verder de 
klankleer en de leer der woordvorming, die naar het oorspronkelijke plan van 
Dr. J. Woltjer het onderwerp van het trouwens nooit verschenen vierde stuk 
zijner Oefeningen zouden uitmaken, geheel buiten beschouwing te laten, en het 
tweede en derde deel, die tezamen de hoofdzaken der syntaxis behandelen en 
parallel daarmee de stof geven voor de herhaling en aanvulling der buigings- 
leer, tot één deel van niet te grooten omvang te vereenigen. 

We vleien ons, dit te hebben bereikt: de 165 oefeningen van het tweede en 
derde stuk werden tot 130, meerendeels van veel geringeren omvang, terug- 
gebracht, en in steê van bijna 300 is het geheel thans slechts ruim 120 bladzijden 
groot, wat, ook indien men den minder plaats vergenden druk in aanmerking 
neemt, toch een stofbeperking beteekent, die de grens van het toelaatbare zeer 
dicht schijnt te naderen. 

Het spreekt van zelf, dat reeds deze groote bekorting veel ingrijpender ver- 
anderingen noodig maakte dan in het eerste deeltje, en verschillende oefeningen 
geheel nieuw moesten worden samengesteld. Dat ook deze grootendeels aan het 
klassieke proza van Cicero en Caesar ontleend werden, behoeft nauwlijks te 
worden opgemerkt. Ook in hetgeen behouden bleef zal men echter verschillende 
wijzigingen kunnen opmerken, wijzigingen die hoofdzakelijk verband houden 
met den door de omstandigheden geboden eisch tot vereenvoudiging en ver- 
duidelijking, hier en daar echter ook een onnauwkeurigheid wegnemen. 

Voor verandering van den opzet was naar onze meening ook hier geen aan- 
leiding. Alleen scheen het ons aanbeveling te verdienen, op den accusativus 
cum infinitivo en het participium aanstonds het overige verbum infinitum te 
laten volgen: vooral de gerundivumconstructie speelt in de literatuur zulk een 
belangrijke rol, dat oefeningen daarover vrijwel aan het einde van het boek min 
of meer als mosterd na den maaltijd zouden kunnen beschouwd worden. 


VI 


Opzettelijke oefeningen over imperativus en infinitivus, over adverbium en 
praepositio schenen ons onder de gegeven omstandigheden achterwege te moeten 
blijven. Uit het hoofdstuk der coniunctiones hebben we alleen ut , quod en de 
interrogativae nog eens afzonderlijk behandeld: het overige kan bij den coniuncti- 
vus in afhankelijke zinnen ter sprake komen. Ook kwam het ons noodzakelijk 
voor, de thema’s over herhaling en uitbreiding van de etymologie niet verder 
voort te zetten dan de adiectiva; practische oefening in de bijzonderheden van 
numeralia, pronomina en verbum is trouwens iets, wat thans wel het eerst kan 
gemist worden; wanneer ze eenmaal in de grammatica geleerd zijn, schijnt het 
voldoende, er bij de lectuur de aandacht op te vestigen. En eindelijk meenden 
we, schoon gaarne het nut van klassieke Latijnsche zinnen ter vertaling in het 
Nederlandsch als steun bij de vertaling in het Latijn, met name voor de woord- 
schikking, erkennende, in verband met den gewijzigden toestand, iets eerder met 
de oefeningen ter vertaling uit het Latijn op te mogen houden, dan oorspronkelijk 
geschiedde. 

Het spreekt van zelf, dat men op deze wijze niet meer zoo ver zal kunnen 
komen als vroeger met de vorige uitgaven; maar wanneer aan de behandeling 
van het hier gebodene voldoende zorg besteed wordt (de beschikbare tijd laat 
dit toe), mag men toch hopen, dat een redelijke, practische bedrevenheid en 
behoorlijk inzicht in de structuur van het klassieke Latijn kan worden verkregen. 

Vocabularium en Woordenlijst zijn natuurlijk geheel nieuw. Daar het getal 
der oefeningen ter vertaling uit het Latijn betrekkelijk gering is en de leerling 
spoedig in het bezit komt van een woordenboek, achtten we een afzonderlijke 
Latijnsch-Hollandsche woordenlijst in dit deeltje niet noodig. 

De bewerking als zoodanig komt weer voor rekening van den tweeden onder- 
geteekende, maar de verantwoordelijkheid voor den inhoud rust ook nu op ons 
beiden. 

De goede ontvangst, die aan de reeds verschenen deelen van den Leergang 
van meer dan één zijde ten deel is gevallen, geeft ons hoop, dat ook dit tweede 
stuk der Oefeningen zal beantwoorden aan zijn doel: de bevordering van de 
wetenschappelijke studie van het Latijn. 


Behoudens de noodige verbeteringen is de tweede druk van deze Oefeningen 
aan den eersten druk gelijk. 


Amsterdam 

Rotterdam 



R. H. WOLTJER. 

G. W. VAN BLEEK. 


Amsterdam J JuH 192g 


Rotterdam J 


R. H. WOLTJER. 

G. W. VAN BLEEK. 


INHOUD. 


Bladz. 

Inhoud • vn 

Algemeene opmerkingen x 

Lijst der afkortingen x 

VERBUM INFINITUM 1 

I. Infinitivus. §§ 559—593 1 

C. Accusativus cum infinitivo. §§ 574 — 581 1 

1. Accusativus cum infinitivo als object. §§ 575 — 579. . . 1 

1 bij de verba sentiendi et declarandi. § 575 1 

2 bij de verba affectuum. § 576 3 

3 bij de verba voluntatis. § 577 4 

2. Accusativus cum infinitivo als subject. §§ 579 — 581 . . 4 

1 bij impersonalia. § 579 5 

' 2 bij esse met een substantivum, adiectivum 

of adverbium. § 580 5 

Herhaling der buigingsleer 6 

Substantiva. Consonantstammen. §§ 57 — 71 6 

II. Participium. §§ 593—605 6 

Ablativus absolutus. §§ 599 — 601 9 

Herhaling der buigingsleer 10 

Vocaalstammen. §§ 71 — 105 10 

III. Gerundivum en Gerundium. §§ 605 — 616 11 

1. Gerundivum. §§ 606 — 608a 11 

2. Gerundium. §§ 610 — 612 12 

3. Gerundivumconstructie. §§ 609, 611 — 616 13 

IV. Supinum. §§ 616—618 13 

NOMEN. §§ 357— 492a 14 

A. Casus Recti. Congruentia. §§ 357 — 373 14 

a. Nominativus als subject. §§ 357 — 365 14 

b. Congruentie van subject en praedicaat. §§ 367, 368 .... 15 

c. Appositie en attribuut. §§ 369 — 373 16 

B. Casus Obliqui. Rectio. §§ 374 — 463 16 

I. Accusativus. §§ 374 — 392 16 

a. Accusativus van het object. §§ 374 — 387 16 

1. Enkele accusativus. §§ 374 — 382 16 

2. Dubbele accusativus. §§ 382 — 386 19 

Herhaling der buigingsleer 19 

Adiectiva en Comparatio. §§ 105 — 127 19 

b. Accusativus tot aanwijzing van richting (doel) en van uitbreiding 

in ruimte en tijd. §§ 387 — 391 20 

1. zonder praepositie; §§ 387 — 390 20 

2. met praeposities. § 390 21 

c. Accusativus bij uitroepen § 391 23 


VIII 


Bladz. 

Aanhangsel II. 

Grieksche woorden in het Latijn. §§ 139 — 149 24 

Herhaling 25 

II. Dativus. §§ 392 — 403 28 

a. Dativus commodi en incommodi. §§ 392 — 401 28 

b. Dativus van doel of strekking. § 401 32 

Aanhangsel I. 

Substantiva en Adiectiva anomala. §§ 127 — 139 33 

A. Abundantia. 1 Substantiva. § 128 . . 33 

III. Genetivus. §§ 403—419 34 

a. Genetivus bij substantiva. §§ 403 — 410 34 

1,2,3. Genetivus subiectivus, obiectivus, possessivus. §§ 403,405 34 

4, 5. Genetivus partitivus en qualitatis. §§ 406 — 410 ... 34 

b. Genetivus bij adiectiva. §§ 410, 411 35 

c. Genetivus bij verba. §§ 412 — 419 36 

1, 2. Genetivus possessivus en obiectivus. §§ 412 — 415 ... 36 
3, 4. Genetivus definitivus en pretii. §§ 416 — 419 37 

Aanhangsel I. 

Substantiva en adiectiva anomala. §§ 127 — 139 38 

A. Abundantia. 2. Adiectiva. § 128. 2 38 

B. Defectiva. §§ 129—138 38 

IV. Ablativus. §§ 419—460 39 

a. Eigenlijke ablativus. §§ 420 — 436 39 

1. Ablativus separativus. §§ 420 — 422 39 

2. Ablativus copiae en inopiae. §§ 422 — 425 39 

3, 4, 5. Ablativus originis, rei efficientis, causae. §§425 — 428 . 40 

6. Ablativus limitationis of respectus. § 428 40 

7, 8. Ablativus mensurae en comparativus. §§ 429 — 433 . 41 
Praeposities bij den eigenlijken Ablativus. §§ 433 — 436 ... 41 
Aanhangsel I. 

Substantiva en adiectiva anomala. §§ 127 — 139 42 

B. Defectiva §§ 129—138 42 

C. Indeclinabilia. § 138 43 

b. Ablativus localis. §§ 436 — 451 44 

1. Locativus. §§ 436 — 438 44 

2. Ablativus localis. §§ 438—451 44 

1. Ablativus loei. §§ 438—444 44 

2. Ablativus temporis. § 444 45 

Praeposities bij den ablativus localis. §§ 445 — 451 .... 45 

c. Ablativus instrumentalis. §§ 451 — 460 47 

1. Ablativus instrumentalis in engeren zin. §§ 451 — 455 . 47 

2, 3. Ablativus pretii en modi. §§ 455, 456 47 

4. Ablativus qualitatis. Praeposities bij den Ablativus 

instrumentalis. §§ 457 — 460 48 

V. Werkwoorden met verschillende constructie bij verschillende 

beteekenis. § 460 49 

C. Verschillend gebruik der nomina in het Latijn en in onze 

taal. §§ 463—493 50 

1. Substantivum. §§ 463 — 465 50 


IX 


Bladz. 

2. Adiectivum. §§ 465—473 50 

a. Adiectiva adverbialiter of substantive gebruikt. §§ 465 — 469. 50 

b. Comparatio der adiectiva. §§ 469 — 473 51 

3. Pronomina. §§ 473 — 493 . 53 

a, b. Pronomen personale en possessivum. §§ 473 — 476 ... 53 

c. Pronomen reflexivum. §§ 476 — 479 53 

d, e, f. Pronomen demonstrativum, determinativum en relativum. 

§§ 479-487 . 54 

g, h, i. Pronomen interrogativum en indefinitum. Adiectiva 

pronominalia. §§ 487 — 493 55 

VERBUM. §§ 493—621 56 

A. Genera. §§ 493 — 496 56 

B. Tempora. §§ 496—511 57 

C. Modi. §§ 511—569 58 

I. Indicativus. §§ 513—517 58 

II. Coniunctivus. §§ 517—567 59 

A. In hoofdzinnen. §§ 517 — 522 59 

1, 2. Potentialis en Optativus. §§ 517—519 59 

3, 4, 5. Adhortativus, concessivus, dubitativus. §§ 519 — 522 60 

B. In afhankelijke zinnen. §§ 522 — 567 61 

a. Zonder voegwoord. §§ 523 — 534 61 

1, 2. Na werkwoorden en in afhankelijke vragen. §§ 523 — 525 61 

3. In relatieve zinnen. §§ 525 — 534 62 

b. Met voegwoord. §§ 534 — 567 63 

1, 2. In causale en voorwaardelijke zinnen. §§ 535 — 544 63 

3, 4. In concessieve en comparatieve zinnen. §§ 544 — 548 65 

• 5. In finale zinnen. §§ 548 — 552 66 

6. In consecutieve zinnen. §§ 552 — 555 67 

7. In temporale zinnen. §§ 555 — 559 69 

7a. In zinnen met cum. §§ 559 — 561 70 

Accusativus cum infinitivo en ut. Quod. §§ 581, 639, 640 71 

Vraagzinnen. §§ 642 — 651 72 

Consecutio temporum. §§ 561 — 567 73 

Oratio obliqua. §§ 618 — 621 74 

Herhaling 75 

Spreekwoorden en spreuken 81 

Vocabularium 84 

Alphabetische woordenlijst 107 


X 


ALGEMEENE OPMERKINGEN. 


1. Woorden, tusschen ronde haken ( ) geplaatst in den Hollandschen 
tekst, moeten niet in het Latijn vertaald, wél in het Hollandsch gelezen 
worden; woorden, tusschen ronde haken geplaatst in den Latijnschen 
tekst, moeten niet in het Latijn gelezen, wel in het Hollandsch ver- 
taald worden. 

2. Woorden, tusschen vierkante haken [ ] geplaatst in den Hollandschen 
tekst, moeten niet in het Hollandsch gelezen, wél in het Latijn ver- 
taald worden. 

3. Werkwoorden, die cursief gedrukt zijn, moeten in den coniunctivus 
gezet worden. Waar het Hollandsch reeds duidelijk genoeg het gebruik 
van den coniunctivus aangeeft, is deze aanwijzing weggelaten. 

4. Zinnen, die cursief gedrukt zijn, zijn versregels of bekende spreuken. 

5. Een klinker, tusschen haakjes achter een Latijnsch woord geplaatst, 
bijv. (a), duidt de laatste letter, de kenletter, aan van den stam van 
het woord. 

6. De §§, waarnaar verwezen wordt, zijn die der Latijnsche grammatica. 

7. Een cijfer achter een woord in de alphabetische woordenlijst verwijst 
naar de thema, waarin dat woord gebruikt is. 


LIJST DER AFKORTINGEN. 


abl. 

abl. abs. 

acc. 
adi. 
adv. 

comparat. 

coni. 

coniug periphr. 

dat. 

futur. 

futur. exact, 

genet. 

gerundiv. 

imperat. 

imperf. 

inf. 


ablativus. 
ablativus absolutus 
accusativus, 
adiectivum. 
adverbium. 

: comparativus. 
coniunctivus. 
coniugatio peri- 
phrastica. 
dativus. 
futurum. 

futurum exactum. 
genetivus. 

: gerundivum, 
imperativus. 
imperfectum, 
infinitivus. 


n.b. 

neutr. 

obiect. 

partic. 

pass. 

perf. 

plur. 

plusq. perf. 

praep. 

praes. 

pron. reflex. 

subst. 

superlat. 

vert. 

vgl. 


= nota bene. 

= neutrum. 

= obiectivus. 

= participium. 

= passivum. 

— perfectum. 

= pluralis. 

= plusquamperfec- 
tum. 

= praepositie. 

= praesens. 

= pronomen 

[reflexivum. 
= substantivum. 

= superlativus. 

= vertaal. 

= vergelijk. 


SYNTAXIS. 


VERBUM INFINITUM. 


I. INFINITIVUS (§§ 569—593). 


C. Accusativus cum infinitivo. 

§§ 574—581. 

L Acc. cum inf. als object (§§ 575 — 579). 

1 . 

1. bij de verba sentiendi et declarandi. 

§ 575. 

1. Saepe hoe maiores natu dicunt. — Saepe hoe maiores natu dicere 
audimus. 2. Quaedam civitates sunt in armis. — Caesar quasdam civitates 
in armis esse audiebat. 3. Cato Graecas litteras in senectute didicit. — 
Cicero dicit Catonem Graecas litteras in senectute didicisse. 4. Carthago 
est delenda. — Cato in senatu dicere solebat: „ceterum censeo Carthagi- 
nem esse delendam”. 5. Cicero rem publicam servavit. — Senatus una 
voce declaravit Ciceronem rem publicam servavisse. 6. Hostes castra 
moverunt. — Ex captivis Caesar cognovit hostes castra movisse. 7. Haec 
ad causam non pertinent. — Haec ad causam non pertinere arbitramur. 
8. Corpora virorum fortium mortalia sunt. — Cogitemus corpora virorum 
fortium mortalia esse. 

1. Uw vader is gestorven. — Wij hebben gehoord, dat uw vader 
gestorven is. 2. De ziel des menschen is onsterfelijk. — Plato leert, dat 
de ziel des menschen onsterfelijk is. 3. De zaak is van geen gewicht. — 
Zij oordeelden, dat de zaak van geen gewicht was. 4. Het water is het 
beginsel der dingen. — Thales van Milete ( Milesius ) zegt, dat het water 
het beginsel is der dingen. 5. Plato heeft door de ongerechtigheid van 
Dionysius, den tiran van Sicilië, in de grootste gevaren verkeerd. — Wij 
hebben vernomen ( cognoscere ), dat Plato door de ongerechtigheid van 
Dionysius, den tiran van Sicilië, in de grootste gevaren heeft verkeerd. 
6. De stad Syracuse is de grootste der Grieksche steden. — Gij hebt 
dikwijls gehoord, dat de stad Syracuse de grootste is der Grieksche steden. 


2 


7. De ziel (plur.) verhuist na den dood uit het lichaam (plur.) in 
een ander lichaam (plur.). — Pythagoras, een Grieksch wijsgeer, ver- 
zekerde, dat de ziel (plur.) na den dood uit het lichaam (plur.) in 
een ander lichaam (plur.) verhuist. 8. Sicilië is lang door de Carthagers 
geteisterd. — Wij hebben vernomen, dat Sicilië lang door de Car- 
thagers geteisterd is. 


2 . 

1. Animadvertit omnes oppidi partes praeruptissimis saxis esse munitas. 
2. Dux docet longe alia ratione esse bellum gerendum. 3. Adfirmabat 
Caesarem numquam, dum haec natio viveret, sine cura futurum esse. 
4. Partem equitatüs Usipetum et Tencterorum supra commemoravi 
Mosam transiisse. 5. Ex captivo quodam comperi copias hostium morbis 
laborare. 6. Ex hoe uno vitio reliqua omnia vitia nata esse concedimus. 

7. lam dudum omnibus tuam improbitatem perspicuam esse confldo. 

8. Homerus noster est civis. — Homerum Smyrnaei suum esse civem 
confirmant. 9. Regem me esse confiteor. 10. Fortiter est agendum. — 
Constituerunt fortiter esse agendum. 

1. Wij bekennen, dat (het) onze schuld is. 2. Onze veldheer bevond, 
dat er een brug gemaakt werd door de vijanden. 3. Gij stemt toe, dat 
gij in deze zaak gedwaald hebt. 4. Ik geloof, dat er vele booswichten 
zijn in dien staat. 5. Laat ons bekennen, dat wij in den oorlog (alleen abl.) 
overwonnen zijn. 6. Hebt gij bemerkt, rechters, dat hij liegt? Wij ver- 
trouwen, dat gijlieden nu zonder zorg zult zijn. 8. Ik heb reeds vermeld, 
dat de schepen van onze vloot alle de haven bereikt hebben. 9. Xeno- 
phanes, een Grieksch wijsgeer, beweert, dat (er) op (vert . : in) de maan 
menschen wonen. 10. Er moet niets gedaan worden. — Wij hadden 
besloten, dat er niets gedaan moest worden. 

3. 

1. Cives hostem intra portas esse existimabant. 2. Venisse tempus 
victoriae dux demonstrat. 3. Caesar desperabat hostes posse in Romanorum 
potestatem redigi. 4. Iudex iudicabat facinus sine dolo malo factum 
esse. 5. Adhuc infitiaris, sed mox iam intelleges hoe tibi ( door u) con- 
fitendum esse. 6. Non esse hoe dictum a me mementote (§ 250), amici. 
7. Epaminondas, postquam audivit vicisse Thebanos, „satis”, inquit, 
„vixi: invictus enim morior”. 8. Memineram C. Marium senile corpus in 
paludibus occultavisse. 

1. Uit den bijnaam van Scipio Africanus blijkt (vert.: Scipio Africanus 
verklaart door zijn bijnaam), dat hij (pron. reflex.) het derde wereld- 
deel onderworpen heeft. 2. Ik wanhoopte (er) reeds (aan), dat iets door 
mijn vlijt kon worden tot stand gebracht (vert.: gedaan). 3. Wie weet 
niet, dat Carthago door de Romeinen verwoest is in het jaar 146 vóór 
Christus? 4. De koning oordeelde, dat de oorlog niet zonder bondge- 


3 


nooten moest (gerundiv.) ondernomen worden. 5. Ik zal niet loochenen, dat 
ik het gedaan heb, maar gij hadt het bevolen. 6. Niet alle leerlingen zullen 
begrijpen, dat zij (pron. reflex.) niet voor de school, maar voor het leven 
leeren. 7. De ouden zeggen, dat de dichter Homerus blind geweest is. 

8. Herinner u (§ 250), dat hij dit reeds dikwijls verhaald heeft. 

4. 

1. Cicero negat posse mortem immaturam esse consulari. 2. Caesari 
nuntiatum est equites hostium iam accedere. 3. Silvam Hercyniam 
antiquis Graecis tertio saeculo ante Christum natum fama (bij ger.) iam 
notam fuisse ex Caesare videmus. 4. Videmus magnos nostros labores 
male cecidisse; attamen non est desperandum. 5. Maiores natu manus 
ad Caesarem tendere et voce significare coeperunt sese (§ 168 A.) in eius 
fidem venire; se obsides daturos esse quaeque (= et quae) imperasset 
( = impera visset) facturos esse polliciti sunt. 6. Noli putare de rebus 
nullius momenti nos agere: sunt gravissimae. 7. Pater periculum in 
mora esse putabat. 8. Hoe nusquam opinor scriptum fuisse in eo libro. 

1. Ik heb u getoond, dat mijn broeder niets van die (dingen), die gij 
gezegd hebt f gedaan heeft. 2. Wie doorziet niet zeer gemakkelijk, dat 
die zeer schoone landstreek voor ons verloren is? 3. Gij zult niet kunnen 
ontkennen, dat gij geld van hen ontvangen hebt. 4. Plotseling wordt 
bericht, dat er schepen van zeeroovers in de haven gezien zijn. 5. Wij 
weten, dat ons vaderland eertijds in de macht der Romeinen geweest 
is en dat de Batavieren hun ( vert . : van hen) bondgenooten genoemd 
zijn. 6. Ik voel, dat het einde van mijn leven nadert: vaart wel, mijne 
vrienden, vaart allen wel! 7. Gijlieden vermoedt, dat niet zonder reden 
( causa ) zijn plan zoo plotseling veranderd is. 8. Wij zullen nooit ver- 
geten, dat gij het gedaan hebt. 9. Zij heeft beloofd, dat zij (pron. reflex.) 
weldra komen zal. 

5. 

2. bij de verba affectuum. 

§ 576 . 

1. Aegre tulerunt te tam male de nostro populo existimare. 2. Populi 
Romani exercitum hiemare in Gallia Belgae moleste ferebant. 3.Milites 
dolebant hostem ex manibus dimissum esse. 4. Multi queruntur iniuriam 
sibi factam esse. 5. Cato questus est in contione sese proditum esse a 
Cn. Pompeio. 6. Laetamini dedisse poenam sceleratum virum. 7. Gaudeo 
vos significare litteris, quam valde probetis meum consilium. 8. Gloria- 
batur se brevi tempore perfecisse quod alii perficere non potuissent. 

9. Nemo mirari debet humana consilia divina necessitate esse superata. 

10. Gavisi sumus suum cuique honorem redditum esse. 

1. Gij neemt het euvel op, dat ik toen gezwegen heb, maar ik kon 
niet spreken. 2. Vele oude menschen klagen (er over), dat zij vele dagen 


4 


van hun leven verloren hebben. 3. Zij zullen het kwalijk nemen, dat 
hun ( suus ) brieven, aan u geschreven, haar voorgelezen zijn. 4. Wie 
betreurt het niet, dat de vrede niet gesloten is, maar de oorlog voortgezet 
wordt? 5. Hij placht (er) zich (op) te beroemen, dat hij (pron. reflex.) 
een tweede (alter) Catilina was. 6. Ik verheug (er) mij zeer (over), dat 
mijn broeder eindelijk van (ex) zijn lange reis teruggekeerd is. 7. Wij 
verwonderen ons (er over), dat vader zoo lang uitblijft: hij had gezegd, 
dat hij weldra terugkomen zou. 8. Hij is verontwaardigd, dat gij mij 
dat niet eerder gezegd hebt. 9. Gij klaagt, dat u onrecht gedaan is, maar 
(het) is uw (eigen) schuld. 10. Gijlieden (vertalen!) duidt het euvel, 
dat ik te laat gekomen ben ; maar gisteren zijt gij zelf te laat gekomen. 


6 . 

3. bij de verba voluntatis. 

§§ 577 , 584 . 

1. L. Pisonis, cum esset in Hispania praetor, anulus aureus fractus erat. 
Aurificem iussit vocari in forum et ei palam appendit aurum ; hominem 
in foro iubet sellam ponere et facere anulum coram omnibus. Nimium hic 
vir fuit diligens. 2. Malim (Ik zou . . .) talem virum esse amicum meum quam 
inimicum. 3. Milites nostri terga vertere adversarios coëgerunt (§ 268, 
A. 1). 4. Caesar milites fugientes hostes Iongius prosequi vetuit. 5. Dux 
pontem nocte perfici iusserat. 6. Caesar Helvetios oppida vicosque quos 
incenderant, restituere iussit. 7. Germani vino homines effeminari arbi- 
trabantur, quam ob causam id ad se importari non sinebant. 8. Dux 
militum ignes in castris fieri prohibuit. 9. Furem nocte occldi non 
vetabant leges XII tabularum. 10. Hic vos orat parvus, ut se patrem 
suum videre sinatis. 

1. De natuur heeft gewild, dat niets den kinderen dierbaarder zou 
zijn (praes.) dan (hun) ouders. 2. Mijn buren, die zelf schippers zijn, 
verlangen, dat hun kinderen (ook) schippers zullen zijn (praes.) 3. Caesar 
beveelt de ruiterij tegen den vijand op te rukken (vert.: gaan). 4. De 
consul beval de poorten der stad te sluiten (vert . : dat de poorten der 
stad gesloten werden). 5. De veldheer gaf bevel de legerplaats in brand 
te steken en de brug af te breken. 6. Amulius, de koning van Alba Longa, 
beval Romulus en Remus te vondeling te leggen. 7. Zult gijlieden 
dulden, dat uw vrouwen en kinderen gedood, uw huizen vernield 
worden? 8. Wie zal ooit verbieden, dat ongelukkigen treuren? 9. De 
wet der XII tafelen verbood de dooden in de stad te begraven (vert.: 
dat de dooden begraven werden). 10. De meester verbood, zijn slaven 
te geeselen. 1 1 . Niemand zal mij beletten te spreken. 12. Duldt gij, dat 
hij dat zegt? 


5 


2 . Acc. cum inf . als subject (§§ 579 — 581). 

7. 

1. bij im personalia. ' 

§ 579. 

1. Constat mox Galliam contra Germaniam esse bellum gesturam. 
2. Non oportebat nos a populo Romano in nostro iure impediri. 3. 
Apparebit eum pecunia commotum illud scelus commisisse. 4. Damnum 
passum esse amicum tuum convenit mihi tecum, sed ego cuius sit culpa 
rogo. 5. Neminem vestrum praeterit omnem utilitatem provinciae con- 
sistere in re frumentaria. 6. Placeat nobis de absente iudicium nullum 
fieri. 7. Ciceronis aetate ( Ten t.) Syracusanos in ea parte urbis Syra- 
cusarum, quae in insula erat, habitare non licuit; erat enim locus, quem 
vel pauci possent defendere. 8. Neminem nostrum fefellit ita vos esse 
facturos. 9. Omnibus bonis expediet salvam esse rem publicam. 10. Iuvit 
me tibi tuas litteras profuisse. 

1. Velen meenden, dat de dorpen en gebouwen in brand gestoken 
moesten worden (oportêre). 2. Het is mij niet ontgaan, dat gij (er) bij 
geweest zijt: ik heb u zelf gezien. 3. Dat Caligula noch een goed, noch 
een groot keizer geweest is, (daarin) stemmen wij allen overeen. 4. De 
senaat besloot (vert.: Het behaagde den s.), dat Caesar de provincie 
Gallië zou verkrijgen (praes.). 5. Het was onbetamelijk (vert. : betaamde 
niet), dat gij dat zeidet. 6. Eertijds mochten de Joden slechts in een 
zeker deel der steden wonen (vert. : stond het vrij, dat de Joden . . .). 
7. Het is gebleken, dat de wet niet door een goed koning, maar door 
een dwingeland (tyrannus) gegeven (vert. : geschreven) is. 8. Niemand 
was het minder dienstig, dat er oorlog gevoerd werd, dan den koning 
zelf. 9. Het is beter, dat gij sterft, dan dat gij dit duldt. 

8 . 

2. bij esse met een substantivum, adiectivum of adverbium. 

§ 580. 

1 . Vetus est haec opinio insulam Siciliam totam esse Cereri et Liberae 
consecratam. 2, Spes est hunc miserum posse aliquando felicem esse. 

3. Credibile est tantum facinus ob nullam causam esse commissum? 

4. Veri simile est Platonem mortuum esse octogenarium, anno trecen- 
tesimo quadragesimo septimo ante Christum natum. 5. Perspicuum erat 
fieri omnia illa propter argentum. 6. Tempus est, inquit Socrates, iam 
hinc abire me, ut moriar. 7. Utile est in civitate nobills homines esse,. 
dignos maioribus suis. 8. Milites in pugna mortem timere turpe est. 


6 


1. Het was niet noodig, dat gij daar zat. 2. Het is waarschijnlijk, dat 
zij morgen vertrekken zal. 3. Dat is duidelijk, dat (er) geen reden 
(yert. : oorzaak) tot (vert. : van) haat voor hem geweest is. 4. Voor een 
ieder ( quivis ) kan het duidelijk zijn, dat de reden door hem gezocht is. 
5. Het is nuttig voor het gemeenebest, dat booze en slechte menschen 
veroordeeld en gestraft worden. 6. Het is niet geloofelijk, dat zoovele 
misdaden door één mensch begaan zijn. 7. Het was ook mijn meening, 
dat uw broeder nog niet gekomen was. 8. Het is noodzakelijk, dat de 
brief ook door uw vader gelezen wordt. 

9. 

Herhaling der buigingsleer. 

Substantiva. 

A. Consonantstammen. §§ 57 — 71. 

1. De schoonheid van Helena, de vrouw van koning Menelaus, was bij 
alle Grieken beroemd. 2. Wij lezen, dat de beelden der voorouders 
door de Romeinen in de voorzaal (plur.) geplaatst werden (perf.), opdat 
allen ze zouden kunnen zien. 3. Cicero beroemt er zich dikwijls op, 
dat de samenzwering van Catilina door hem (pron. reflex.) onderdrukt 
is. 4. Vele boomen waren voor de Grieken heilig: de laurierboom werd 
door dichters de boom van Apollo, de olijfboom de boom van Athene 
genoemd (perf.). 5. De oude Germanen aten het vleesch van hazen 
niet. 6. Wij meenden, dat wij binnen onze wanden veilig waren. 
7. Verkoop mij die kostbare vaas. 8. Groote steenen wierpen zij van (dé) 
de wallen van hun stad. 9. De Romeinen hebben veel bloed vergoten. 
10. Dat de ouden zout bij ( cum ) het brood hebben gegeten, blijkt uit 
een spreekwoord. 1 1. De soldaten zeiden, dat zij het stof bemerkten, (dat) 
door de aanrukkende vijanden (werd) opgeworpen. 12. Dichters zeggen, 
dat de lente schoone bloemen voortbrengt. 

II. PARTICIPIUM. §§ 593—605. 

10 . 

§§ 593, 594, 594a, 596, 596a. 

1. Omnes aliud agentes, aliud simulantes, perfidi et improbi sunt. 

2. Quid dicam de Socrate, cuius morti illacrimare soleo Platonem legens? 

3. Ab antiquis pleraeque scribebantur orationes habitae iam, non ut 
haberentur. 4. Melior est certa pax quam sperata Victoria. 5. Aranti 
L. Quinctio Cincinnato nuntiatum est eum dictatorem esse dictum ; cuius 
(vert.: et huius) dictatoris iussu C. Servilius Ahala Sp. Maelium, regnum 
appetentem, interëmit. 6. Hostes confidebant se hanc victoriam adeptos 
in perpetuum fore (§ 209, 6) victores. 7. Hostes e castris egressi ad 
Rhenum contenderunt. 8. Naves nactae idoneum ventum ex portu exeunt. 


7 


9. Helvetii suppliciter locuti polliciti sunt se Caesari obtemperaturos esse. 

10. Legimus Platonem scribentem mortuum esse. 

1. De soldaten zijn, nadat zij een grooten buit verkregen hadden, 
in de legerplaats teruggekeerd. 2. Conon heeft de muren van Athene, 
die door Lysander verwoest waren, hersteld. 3. Mijn broeder, die heden 
met het aanbreken van den dag vertrokken is, zal morgen terugkeeren. 

4. De koning liet de gezanten gaan, nadat zij veel over den vrede gesproken 
hadden. 5. Sommige vogels zingen, terwijl zij vliegen, andere, terwijl 
zij zitten. 6. Mijn zuster heeft, doordat zij op een glibberige plaats (vert. : 
het glibberige) uitgegleden is, den rechter arm gebroken. 7. Vele dingen 
zien wij niet, ofschoon ze voor (ante) onze oogen staan (vert. : gesteld zijn). 
8. De Grieken verhalen, dat Tantalus, ofschoon hij midden (door adi.) 
in het water stond, door dorst gepijnigd werd (perf.). 9. De (eene) vriend 
helpt den (anderen) vriend, daardoor dat hij den tegenspoed (met hem) 
deelt. 10. De Perzen zetten hun dooden bij, nadat zij ze met was be- 
streken hadden. 

11 . 

§§ 595 en 597. 

1. Grues loca (§ 128) calidiora petentes maria transmittunt. 2. Divitiacus 
Caesarem complexus obsecrare coepit, ne gravem poenam in fratrem 
statueret. 3. Caesar arbitratus id bellum celeriter confici posse, contra 
Morinos Mcnapiosquc exercitum duxit. 4. Caesar dies circiter XXV in 
eo loco commoratus, dabat operam, ut omnia hostis consilia cognosceret. 

5. Antonius, virtute militum confisus, eos usque ad castra hostium pro- 
dire iussit. 6. Victos, qui proiecti ad terram flentes ab eo salutem 
petiverunt, consolatus, consurgere iussit et pauca apud eos de lenitate 
sua locutus, omnes conservavit. 7. Germani perfidia et simulatione usi 
ad Caesarem in castra venerunt. 

1. In den strijd voor (pro met abl.) het vaderland zijn vele dappere 
mannen gesneuveld. 2. Toen (Cum) Antiochus, koning van Syrië, door de 
Romeinen overwonnen was , is Hannibal, vreezende, dat zijn uitlevering 
zou gevraagd worden (vert. : dat (ne) hij zou opgeeischt worden) uit 
Azië gevlucht. 3. Op marsch naar Gallië vertoefden de Romeinsche 
soldaten verscheidene dagen aan (ad) de oevers van het meer van Genève. 

4. Hij is vertrokken met de belofte, dat hij weldra zou terugkomen. 

5. De bewoners van Marseille, op (abl. zonder praep.) de snelheid hunner 
schepen en de kunde hunner stuurlieden vertrouwende, hielden de 
Romeinen voor den gek. 6. De burgers ontvingen den overwinnaar met 
gejuich en gelukwenschen. 7. Op mijn vraag, waarom hij dat toch deed, 
antwoordde hij niets. 8. Mijn vader heeft mij op zijn sterfbed (door 
mori) bevolen u die boeken en dat geld te geven. 9. De ziel ziet somtijds 
in den slaap, wat zij in wakenden toestand (vert. : wakker zijnde) gezien 
heeft. 10. Cicero bleef op zijn reis naar Griekenland eenige dagen te 
Brundisium ( Brundisii ), in afwachting van een gunstigen wind. 

WOLTJER en VAN bleek, Lat, OeJ. II. * 


2 


8 


12 . 

§ 598. 

1. Romani regibus parëre iam a condita urbe didicerant, sed post 
reges exactos servitutis oblivio eos cepit. 2. Hae virtutes in nostra regina 
ab ineunte aetate sunt cognitae ab omnibus. 3. Violati hospites, legati 
necati, socii nefario bello lacessiti hanc tantam effecerunt miseriam. 
4. Post genus hominum natum pauci reperti sunt, qui sine ullo praemio 
vitam suam hostium telis obiecerint. 5. Causa est post Roman conditam 
haec inventa sola, in qua omnes sentirent unum atque idem. 6. Defensa 
res publica Ciceroni multos conciliavit amicos. 7. Sacra violata sanxerunt, 
foedera fracta ulti sunt maiores nostri. 8. Servi alieni sunt retenti et 
cives Romani necati. — De servis alienis retentis et de civibus Romanis 
necatis multa orator dixit. 9. Ab incenso Capitolio (anno 83 a. C. n.) ad 
coniurationem Catilinae erant viginti anni. 10. Caesar legiones quiescere 
ante iter confectum vetuit. 

1. Wie heeft de krijgsdaden van Caesar beschreven? 2. Van uw jeugd af 
(vgl. th. 12A, zin 2) hebt gij schoone liederen geleerd. 3. Na het houden der 
vergadering kwamen (er) zeer gewenschte berichten. 4. (In) het zestiende 
jaar na het verdrijven der koningen zijn de plebejers wegens de dwinge- 
landij der aanzienlijken (potentes) uitgeweken naar dien berg over den 
Anio, die daarna de heilige berg genoemd is. 5. Van de stichting van 
Rome tot de stichting van Syracuse zijn (er) achttien jaren. 6. Hij zeide, 
dat hij vóór het einde van den winter zou terugkeeren. 7. Ons huis ziet 
uit op het oosten (vert.: den opgang der zon), het uwe op het westen 
(yert . : den ondergang der zon), het hunne op het noordoosten (vert.: 
tusschen het noorden en den opgang der zon). 8. Schending van de 
rechten der gastvriendschap hebben de ouden steeds kwalijk genomen. 
9. Welke stad is gesticht in het jaar 753 vóór Christus’ geboorte? 10. Tever- 
geefs hebben zij zich beklaagd over het verbreken van het verdrag. 

13. 

§§ 603 en 604. 

1. Qui legebant narrationi eius viri non credebant. 2. Saepe quo (hoe) 
quis versutior et callidior est, hoe (des te) invisior et suspectior. 
3. Lacedaemonii propter Lycurgi leges parentiores habuerunt exercitus 
et fortiores. 4. Non semper vulgi iudicium cum intellegentium iudicio 
congruit. 5. Medici leviter aegrotantes (§ 468, A. 1) leniter curant. 
6. Omnes vere sapientes sunt fortes. 7. Cicero de se haec scripsit: „si 
quisquam est timidus in magnis periculosisque rebus semperque magis 
adversos rerum exitüs metuens quam sperans secundos, is ego sum”. 

8. Amicus mihi scripsit: „ego nee praeterita nee praesentia abs te, sed 
futura exspecto”. Diu exspectabit: futura equidem scribere non possum. 

9. Fortes viri non tam praemia sequi solent recte (§ 468, A. 1) factorum 
quam ipsa recte facta. 


9 


1. De vijanden konden den aanval onzer zegevierende soldaten niet 
weerstaan. 2. Weldra zult gij van (abl. zonder praep.) die drukkende zorgen 
bevrijd zijn. 3. Rome was een zeer schoone en zeer bloeiende stad. 4.0p- 
lettende hoorders hooren alles, wat een spreker ( vert . : een verteller) zegt. 

5. Segesta is een zeer oude stad op Sicilië, die door Aenêas (ab Aenea ), toen 
hij van (ab) Troia vluchtte en hierheen (in haec loca) kwam, gesticht is, 
naar men zegt (vert.: die zij zeggen gesticht te zijn). 6. Wij staan ver- 
baasd bij het hooren en lezen van Caesars veldtochten, ontelbare veld- 
slagen (en) ongeloofelijke overwinningen. 7. Menschen, die op een en 
hetzelfde tijd(stip) geboren zijn (partic. als subst.), hebben (toch) een 
ongelijke natuur (plur.). 8. Door Caesar zijn vele geestige gezegden van 
zijn tijdgenooten verzameld. 9. Over (per) de geheele aarde worden de 
dappere daden der Atheners als (pro) de grootste verheerlijkt. 


§§ 599 — 602 (Ablativus absolutus). 

14. 

§§ 599— 60L 

1 . Urbs capta est. — Cives urbe capta a militibus omnes occisi sunt. 
2. Reges expulsi sunt. — Regibus expulsis Romani in re publica 
libertatem constituerunt. 3. Natura repugnat (repugnans est). — Natura 
repugnante omnis labor inanis est. 4. Senatus deliberat. — Senatu 
deliberante perit Saguntum. 5. Sublatus est suppliciorum metus. — 
Quaenam sollicitudo vexaret impios sublato suppliciorum metu? 

6. Obscuratus est sol. — Obscurato sole tenebrae repente factae sunt. 

7. Animo elapsoin corpore nullum residere sensum perspicuum est. 

8. Nullo hoste prohibente Caesar copias in Allobrogum finis 
perduxit. 9. Serena nocte subito plena luna defecit. 10. Infecta re 
Miltiades Paro discessit. 11. Xerxes Thermopylis expugnatis 
ad urbem Athenas appropinquavit eamque nullis defendentibus 
incendio delevit. 12. Legatis missis libertatem non impetraverunt. 

1. Nadat Troje door de Grieken verwoest was, kwam Aeneas in Italië. 
2. Nadat verscheidene schepen schipbreuk geleden hadden (vert. : gebroken 
waren), bereikte de vloot de haven. 3. Op een gegeven teeken (vert.: 
toen een teeken gegeven was), braken de soldaten het legerkamp op. 
4. Bij de komst der Perzen (vert. : toen de Perzen aankwamen) bezetten 
(imperf.) de Grieken de Thermopylae. 5. Onder de regeering van 
Octavianus Augustus is Christus geboren. 6. Hoewel de hemel onbewolkt 
was, donderde het. 7. Wanneer de winter nadert, verhuizen de vogels 
naar warmere streken. 8. Wanneer de vriendschap weggenomen is, 
is het leven niet aangenaam meer (vert . : is de aangenaamheid van het 
leven er niet). 9. Toen Caesar Pompeius overwonnen had, begaf hij 
zich naar Egypte. 10. Toen de veldheer den brief ontvangen had, beval 
hij de gevangenen los te laten. 11. Nadat hij dit antwoord ontvangen 


10 


had, vertrok hij. 12. Nadat hij deze redevoering gehouden had, hebben 
allen, die aanwezig waren, hem gelukgewenscht. 31. Na zijn wapenen 
te hebben verloren is hij gevlucht. 14. Na de Alpen te zijn overgetrokken 
versloeg Hannibal de Romeinen bij de Trebia. 

15. 

§ 60L 

1. Gnaeo Pompeio Marco Crasso consulibus Usipetes 
et Tencteri magna cum multitudine hominum flumen Rhenum transierunt. 
2. Cn. Pom pe io d u ce celeriter bellum, contra praedones gestum, finitum 
est. 3. Non invito populo Cicero Romam rediit. 4. Exigua parte 
aestatis reliqua Caesar, etsi in his locis maturae sunt hiemes, tarnen in 
Britanniam profectus est. 5. Te imperatore vincemus. 6. Lysandro 
auctore Agesilaus Lacedaemoniorum rex factus est. 7. Relinquebatur 
una per Sequanos via, qua Sequanis invitis propter angustias ire 
Helvetii non poterant. 8. Deo teste hoe promisisti. 9. Pyrrhus dixit: 
„o quam facile erat orbis imperium occupare, autmihi Romanis 
militibus datis, aut me rege Romanis!” 10. Hannibal apud 
Antiochum regem, ,, Pater meus”, inquit, ,,puerulo me in Hispaniam 
imperator Carthagine (uit) proficiscens Iovi Optimo Maximo hostias 
immolavit. Turn me ad aram adduxit atque testibus remotis me 
iurare iussit numquam me in amicitia cum Romanis fore.” 

1. Onder het opperbevel van Hannibal hebben de Carthagers vele 
steden van Italië veroverd. 2. Augustus is geboren onder het consulaat 
van Cicero en Antonius. 3. Bij helderen hemel en gunstigen wind is 
de vaart veilig en aangenaam. 4. Terwijl de geheele stad (er) getuige 
(van) was, is die misdaad bedreven. 5. Terwijl Verres praetor was, zijn 
drie jaar lang vele Romeinsche burgers op het eiland Sicilië gedood. 
6. Tegen den wil van uw vader moet gij dat niet doen. 7. Livius ver- 
haalt, dat op last van een zekeren Sicinius de Romeinsche plebs naar 
den heiligen berg uitgeweken is. 8. Daar de ruiterij geen verliezen ge- 
leden had (vert . : ongedeerd was), verzekerde de veldheer, dat hij opnieuw 
slag zou leveren. 9. Zoolang ik leef, zal dat niet gebeuren. 10. Toen 
wij kinderen waren, speelden wij gaarne. 11. Zonder dat ik het wist 
(vert . : terwijl ik onwetend was), is mijn zuster gestorven. 12. Wanneer 
het vaderland behouden (salvus) blijft, zal ik niet wanhopen. 

16. 

Herhaling der buigingsleer. 

Substantiva. 

B. Vocaalstammen. §§ 71—105. 

1. Dikwijls gaat de arbeid van vele maanden in (abl. zonder praep.) 
één oogenblik (vert. : punt des tijds) te gronde. 2. Wie stond aan het 


11 


hoofd der vloot, die tegen de zeeroovers was uitgerust? 3. Een schip van 
(dê) de vloot van het Romeinsche volk hebt gij durven verkoopen? 4. De 
Germanen plachten tijdruimten naar (abl. zonder praep.) het getal der 
nachten, niet naar het getal der dagen te bepalen. 5. Beleid wint het vaak 
van (vert. : overwint) geweld. 6. Gebonden stond de onschuldige in de 
(buiten)lucht, in de kou, en in den regen. 7. Koning Deiotarus was een zeer 
goed huisvader en een zeer nauwgezet landbouwer. 8. De huisvrouwen 
wierpen zilver, kleederen, alles wat zij hadden van de muren der stad. 
9. Van ( ab ) Juppiter en de overige góden en godinnen bid (peto) ik den 
vrede af. 10. Al zijn geld gaf hij aan zijn dochters, niet aan zijn zoons. 
1 1. Gij zijt uw ouders altijd tot vreugde (dat.) geweest, mijn zoon. 12. De 
macht der tienmannen was zeer groot. 13. Uw gedichten, Vergilius, 
zullen altijd gelezen worden. 14. De soldaten van Pompeius trokken 
zich, na alle gebouwen in brand te hebben gestoken, in hun legerplaats 
terug. 15. De Helvetiërs bepaalden (dicere) een dag, waarop zij bij (ad) 
den oever van de Rhöne (Rhodanus) zouden samenkomen. 


III. GERUNDIVUM EN GERUNDIUM. §§ 605—616. 

1. Gerundivum. 

17. 

§§ 606, 607, 608a. 

I. Omnes cruciatus captivis erant perferendi. 2. Dicendum mihi est 
de Pompei singulari eximiaque virtute. 3. Quid sit agendum nobis, 
considerate, cives. 4. Haec, quae nuper acciderunt, non culpae tuae, sed 
fortunae tribuenda esse videntur. 5. Illis imperatoribus a nobis magna 
laus est tribuenda, quod vicerunt hostes. 6. Haec provincia, si dignitatem 
retinere vultis, non modo a calamitate, sed etiam a metu calamitatis est 
defendenda. 7. Caesari omnia uno tempore erant agenda: signum tuba 
dandum, acies instruenda, milites cohortandi. 8. Aguntur bona multorum 
civium, quibus est a vobis rei publicae causa consulendum. 9. Parentibus 
semper oboediendum est. 10. Credendum nunquam erit proditoribus. 
11. Omnibus nobis moriendum est. 12 Eius verborum vobis est obli- 
viscendum. 

1. Wanneer de vijanden naderen, moeten de poorten gesloten worden. 
2. Dit boek zal door alle leerlingen gelezen moeten worden. 3. Er 
moest dadelijk gehandeld worden. 4. De deur behoeft niet geopend te 
worden. 5. Gij behoordet dit niet te vragen. 6. Dat plan is niet goed 
te keuren. 7. Bewezen moet worden, dat niet allen wijs zijn, die (er voor) 
gehouden worden. 8. Niet dat hij Azië nooit gezien heeft, maar dat 
hij (er) ingetogen geleefd heeft, valt te prijzen. 9. De oorlog is zóó 
noodzakelijk, dat hij moet gevoerd worden, niet zóó ernstig (vert . : groot), 
dat hij te vreezen is. 10. Met prijzenswaardig (vert. : te prijzen) beleid 


12 


hebt gijlieden gehandeld. 11. Weldaden behooren wij niet te vergeten. 
12. Prijs, wat te prijzen is. 

18. 

§ 608 . 

1 . Patior, puto enim ferendum id esse. 2. Non exspectandum sibi statuit 
Caesar, dum Helvetii in provinciam venirent. 3. Mihi in tanto luctu 
meorum vita retinenda erat? An mors aequo animo petenda? 4. Com- 
pluribus expugnatis oppidis Caesar classem arcessendam esse arbitratus 
est. 5. Consuli urbem defendendam dederunt cives. 6. Hic Lentulus 
attribuit nos trucidandos Cethëgo et ceteros cives interficiendos Gabinio, 
urbem inflammandam Cassio, totam Italiam vastandam diripiendamque 
Catilinae. 7. Pon tem in Arare faciendum curavit atque ita exercitum 
traduxit. 8. Mithridates uno die uno nuntio multos cives Romanos 
necandos trucidandosque curavit. 

1. Meent gij, dat (er aan) te twijfelen valt, wat gij behoort te zeggen? 
2. Uw leven moet goed gebruikt worden. 3. De Romeinsche censor 
placht het herstellen der openbare gebouwen aan te besteden. 4. Caesar 
liet twee bruggen over de rivier slaan. 5. Wij zullen zorgen, dat er gijzelaars 
gegeven worden. 6. Wie wil den bouw van dit huis aannemen? 7. Zij 
hebben mij de bewaking der gevangenen toevertrouwd. 8. De veldheer 
liet de plundering der stad aan zijn soldaten over. 9. Het leven der 
overwonnenen behoort gespaard te worden. 10. De koning liet de muren 
der stad herstellen. 


2. Gerundium. 

19. 

§§ 610 — 612 . 

1. Rogo te, ut finem orandi facias. 2. Ariovistus exercitu praesente 
conclamavit: „Speculandi causa ad nos venistis?” 3. Eos multa pollicendo 
adduxit, ut noctu ad proximum mare, deinde Romam pergerent. 4. Severus 
in iudicando non potest esse, qui alios in se severos iudices esse non 
vult. 5. Spes praedandi studiumque bellandi ab agri cultura et cotidiano 
labore sevocabat Germanos. 6. Haec atque alia huius modi dicendo 
Memmius populo persuadet. 7. Caesar paulum a castris progressus aciem 
instruxit hostibusque pugnandi potestatem fecit. 8. Reperiebat in 
quaerendo Caesar proelium equestre adversum paucis ante diebus esse 
factum a Dumnorige eiusque equitibus. 

1. De kunst om goed te leven is voor de meeste menschen moeilijk. 
2. Door onderwijs te geven leeren wij. 3. Een veldheer kan slechts 
winnen door iets te wagen. 4. Caesar trok met zijn legioenen naar 
Gallië om te overwinteren. 5. De Batavieren waren zeer ervaren in het 


13 


paardrijden en zwemmen. 6. Wij waren vermoeid van (vert. : door) het 
lezen. 7. Ik geef u verlof om heen te gaan. 8. Door zulke dingen 
(neutr. plur.) te zeggen zult gij uw goeden naam verliezen. 9. Onder 
(In) het loopen is zij uitgegleden. 10. Zijt gij hier [heen] gekomen om 
te eten en te drinken? Ik ben gekomen om een gesprek (met u) te voeren. 


3. Gerundivumconstructie. 

20 . 

§§ 609, 611—616. 

1. Ad consulatum adipiscendum multo plus affert dignitatis rei militaris 
quam civilis iuris gloria. 2. Cupidissimus rei publicae conservandae 
semper erat Pompeius. 3. Alii adipiscendae laudis, alii vitandae turpitu- 
dinis causa in bello mortern oppetiverunt. 4. Necessitas vocat vos ad rem 
publicam contra improbos cives defendendam. 5. A Catilina consilium 
senatüs interficiendi initum esse omnes scitis. 6. In consiliis capiendis 
vobis se auctoribus usurum esse dicebat. 7. Qui in spem potiundorum 
(§ 206) castrorum venerant, undique circumventi interficiuntur. 8. Ad 
bella suscipienda Gallorum alacer est animus, ad calamitates ferendas 
mollis (te . . .) est mens eorum. 9. Conclamant omnes occasionem negotii 
bene gerendi non omittendam esse. 10. Restat, ut de imperatore ad id 
bellum deligendo dicendum sit. 

1. De barbaren meenden, dat ons leger gekomen was om hun rijken 
tempel te plunderen. 2. Tot oorlog voeren zijn de Germanen steeds 
bereid. 3. Dumnorix hoopte zeer (vert. : was tot groote hoop gekomen) 
met behulp van (per) de Helvetiërs het koningschap te verwerven. 4. Ik 
zal u in de gelegenheid stellen (vert . : de gelegenheid geven) om een 
reis door Italië te maken. 5. In dezen staat zijn plannen gesmeed om 
de stad te verwoesten en de burgers te vermoorden. 6. Met het lezen 
van dit boek hebben wij ons zeer vermaakt. 7. Men zegt (vert.: zij 
zeggen), dat deze man zeer ervaren is in het maken van gedichten. 
8. Het is tijd de legerplaats op te breken. 9. De landman verheugt zich 
in het bebouwen van zijn akkers. 10. Na den terugkeer der consuls 
werd een vergadering van het volk gehouden tot het kiezen van cen- 
soren. 11. Bij (In) de verdediging der wallen zijn zeer veel burgers 
gesneuveld. 12. Bij de ouden bestond de gewoonte om de dooden of te 
begraven of te verbranden. 

IV. SUPINUM. §§ 616—618. 

21 . 

1. Aedui, cum se suaque ab Helvetiis defendere non possent, auxilium 
rogatum legatos ad Caesarem mittunt. 2. Roscius, cum domum iret 


14 


cubitum, non procul a Palatino occisus est. 3. Quod optimum erit factu, 
cur non facies? 4. Spectatum veniunt, veniunt spectentur ut ipsae. 

5. Dum ea geruntur, una legio frumentatum missa est. 6. Iucundum est 
auditu, pacem esse factam. 7. Ambulatum eamus! 8. Croesus legatos 
misit Delphos rogatum, quid sibi faciendum esset. 

1. M. Valerius Messala is met een deel van de vloot naar Afri'ca ge- 
zonden om te plunderen. 2. Toen de oorlog met (genet.) de Helvetiërs 
geëindigd was, kwamen gezanten van bijna geheel Gallië naar Caesar, 
om hem geluk te wenschen. 3. Het is gemakkelijk te zeggen, welk ver- 
schil (er) is tusschen mensch en dier. 4. Wanneer de zon ondergaat, 
gaan de kippen op stok (verf.: gaan slapen). 5. Iugurtha kwam in den 
senaat, om te klagen over het onrecht, (dat hij had) ondervonden. 

6. Duizend Plataeërs rukten op om de Atheners te helpen. 7. Laat ons 
gaan eten ! 8. Zeg mij, wat u het beste schijnt om te doen. 9. Driehonderd 
Spartanen hebben — het is ongeloofelijk om te hooren — verscheidene 
dagen weerstand geboden aan het groote leger van Xerxes. 10. Niets is 
aangenamer om te hooren dan verzen van een voortreffelijk dichter. 


NOMEN. 

§§ 357— 492a. 


A. CASUS RECTI. CONGRUENTIA. §§ 357—373. 

a, b. Congruentie van subject en praedicaat. 
Nominativus als subject. 

22 . 

§§ 357—365. 

1 . Bona mea ille possidet, ego aliena misericordia vivo (vert . : moet leven). 
2. Antonius natus erat hostis rei publicae Romanae. 3. Phryx plagis fieri 
solet melior. 4. Pecunia est effectrix multarum et magnarum voluptatum. 

5. Cicero dicit universum hunc mundum unam civitatem communem 
deorum atque hominum existimandam esse (te houden is voor . . .). 

6. Stultitiam et iniustitiam et intemperantiam dicimus esse fugienda 
(§ 364, A. 1). 7. Catilinae ab adulescentia bella intestina, caedes, rapinae, 
discordia civilis fuerunt grata. 8. Mens et ratio et consilium in senibus 
est. 9. Cum tempus necessitasque postulat, mors servituti anteponenda 
est. 10. Uxor et liberi patrem amplexi abierunt. 11. Corporis nostri partes 
totaque figura et forma et statura quam apta ad naturam sit, apparet. 
12. Laudatur pater et filius. 


15 


1. Gij bemint mij, ik bemin u. 2. Niemand wordt rijk geboren. 3. Of 
gij of hij heeft gelogen. 4. Mijn broeder en ik (vert. : Ik en mijn broeder) 
zullen komen. 5. Gij en hij zult gevangen genomen worden. 6. Noch gij 
noch uw broeder hebt dit gezegd. 7. Athene ( Athena ) is, naar de Grieken 
zeggen {vert. : de Grieken zeggen, dat . . .), de uitvindster geweest van alle 
wetenschappen. 8. De sterren, die de Grieken kometen noemen (; vocare ), 
waren eertijds voor vele menschen de voorboden van groote onheilen. 

9. De zon wordt door de dichters de koningin des hemels genoemd, 
de arend de koning der vogels. 10. De armoede scheen (perf.) mij een 
drukkende ( gravis ) last. 11. In alle zaken is onbezonnenheid en onkunde 
verkeerd. 12. AI zijn daden en zijn beleid (plur.) keurden de senaat en 
het Romeinsche volk goed. 13. Door ijver en inspanning (labor) is 
Demosthenes de grootste redenaar geworden. 14. De muur en de boom 
zijn door den bliksem getroffen. 15. Mijn broeder en mijn zuster zijn 
heden vertrokken; zij zeiden, dat zij weldra zouden terugkeeren. 16. Wie 
is (er), wien niet de vrijheid en de bodem van het vaderland dierbaar zijn ? 

23. 

§§ 367 en 368. 

1. Quae apud alios iracundia dicitur, ea in imperio superbia appellatur. 
2. Omnis terra, quae colitur a vobis, parva quaedam insula est, circum- 
fusa illo mari, quem Oceanum appellatis. 3. Idem veile atque idem nolle, 
ea demum (eerst) firma amicitia est. 4. Cato Valerium Flaccum in consulatu 
habuit collegam. 5. C. Marium vere patrem patriae, parentem, inquam, 
nostrae libertatis possumus dicere. 6. Apud Aeduos duos ex una familia 
vivo utroque magistratus creari leges vetabant. 7. Qui parum perpiciunt, 
hi saepe malitiam sapientiam iudicant. 8. Timoleon eam victoriam prae- 
claram ducebat, in qua plus esset clementiae quam crudelitatis. 9. Phi- 
lippus, rex Macedoniae, Aristotelem Alexandro filio doctorem accivit. 

10. L. Nasidius, ab Cn. Pompeio Massiliensibus subsidio missus, prae- 
missa navicula eos de suo adventu certiores fecit. 

1. Gijlieden weet allen, wat de oorzaak van haar dood geweest is. 2. Dat 
is vaderlandsliefde. 3. Alle Belgen, die, zooals wij zeiden, het derde deel 
van Gallië vormden (vert. : die wij gezegd hebben ... te zijn), zwoeren 
samen tegen het Romeinsche volk. 4. Iulius Caesar maakte zich zelf 
dictator. 5. Apollo oordeelde Socrates den wijste van alle menschen. 
6. Mijn vriend zal ons van uw aankomst verwittigen. 7. Zulke mannen 
moeten voor vijanden van het vaderland gehouden (putare) worden. 

8. Cicero werd met recht voor den grootsten redenaar gehouden (habere). 

9. De Nijl maakt Egypte tot een vruchtbaar land. 10. Door (per) spionnen 
is Caesar verwittigd, dat reeds drie vierde der Helvetiërs de rivier 
waren overgetrokken. 11. Neemt (sumere) dien wakkeren man tot 
aanvoerder, mannen! 12. Wat is de grootste rijkdom vooreen mensch? 


16 


c. Appositie en attribuut» §§ 369 — 373» 

24. 

1. Historia, testis temporum, lux veritatis, magistra vitae, nuntia 
vetustatis, animos puerorum et iuvenum delectat. 2. Quotiens tu, Catilina, 
me consulem designatum, quotiens me consulem interficere voluisti! 

3. Optima hereditas a patribus traditur liberis gloria rerum gestarum. 

4. Dictatore habente comitia Caesare consules creantur. 5. Rus ( naar 
het . . .) ex urbe tamquam e vinculis evolavimus. 6. Amicum amat ut 
fratrem. 7. Vera gloria radices agit; ficta omnia celeriter tamquam 
flosculi decidunt. 8. Maria terraeque nondum omnia nota erant antiquis. 

1. Als knaap was Hannibal vertrokken naar overzeesche gewesten, 
als oude man keerde hij naar zijn vaderland terug. 2. Een aanval van 
gehuurde lieden werd op (in met acc.) mij, als op een tiran, beraamd. 
3. Scipio vereerde zijn broeder, (ofschoon hij) volstrekt niet zijns gelijke 
(vert.: aan zich gelijk) (was), als (zijn) meerdere. 4. Cicero heeft als 
quaestor Sicilië bestuurd, als aedilis heeft hij Verres aangeklaagd, als consul 
heeft hij Catilina uit Rome (abl. zonder praep.) verdreven. 5. Gij haat uw 
broeder als uw grootsten vijand (superl. v. inimicus). 6. Tiberius en Gaius 
Gracchus waren broeders. 7. In welk land zijn uitgestrekte meren en 
bosschen? 8. Cato, de beroemde censor, leefde in de tweede eeuw vóór 
Christus. 9. Gezanten, door Alexander gezonden, brachten Xenocrates 
vijftig talenten, wat voor die tijden zeer veel (vert.: groot) geld was. 
10. Caesar heeft als veldheer groote daden verricht. 

B. CASUS OBLIQUI. RECTIO. 

§§ 374—463» 

I. Accusativus. 

§§ 374—392» 

a» Accusativus van het object» §§ 374 — 387» 

1» Enkele accusativus. §§ 374 — 382. 

25. 

§§ 374 en 375» 

1. In hac difficultate illa me res tarnen consolatur, quod filius meus 
innocens est. 2. Facile consolatur honestas egestatem. 3. Ovidius, „ video ”, 
inquit, „ meliora proboque , deteriora sequor ”. 4. Effice ne id quod non 
curas, cupere videaris. 5. Catilina eiusque comités nihil cogitant nisi 
rapinas: patrimonia sua profuderunt,.fortunas suas obligaverunt ; res eos 
iam pridem, fides nuper deficere coepit. 6. Quam victoriam imperator 
ultus est Sulla? 7. Veterani Caesaris mortem uleisei volebant, quam 
omnes fatalem esse arbitrabantur. 8. Cur valetudinem et aetatem non 
excusavisti? 9. Multae urbes ab amicitia populi Romani defecerunt. 
10. Quam multi votis vim tempestatis effugerunt! 


17 


1. Den vijanden begon de proviand te ontbreken. 2. Met geld, 
soldaten (en) wapenen hebben de bondgenooten onze aanvoerders 
geholpen. 3. Over de smart wegens (genet.) zijn vertrek troosten wij 
ons met de hoop op zijn terugkomst. 4. Hoeveel (plur.) u ontbreekt , ziet 
gij, (mijn) vriend. 5. Aan den laster zult gij niet ontkomen. 6. Op de 
misdaad pleegt de straf te volgen. 7. Anderen mogen zich wreken (coni. 
praes.) op hun vijanden, wij zullen den dood van onzen vader wreken. 
8. Rust u ten strijde, soldaten! Wreekt uw aanvoerder! 9. Hij veront- 
schuldigt zich steeds wegens ziekte. 10. Wij bekommeren ons niet om 
geld. 11. Wie zal vluchten voor een lafaard? 12. Het was hem ontgaan, 
waarom dat door u gedaan was. 


26. 

§ 376 . 

1. Ciceronis, cum in exsilium iret, multi cives casum doluerunt. 

2. Contubernales Caesaris abditi in tabernaculis suum fatum quere- 
bantur. 3. Nihil de suo casu, multa de vestro querebantur. 4. Hominis 
desperati casum lugemus. 5. Hostis desperatis omnibus auxiliis portas 
aperuit. 6. Hoe gemebant boni omnes. 7. Quis non dolebat interitum 
talis viri? 8. Ludi te non intellegebas, cum tibi haec recitabant? 9. Facete 
dicta, quae meditata putantur esse, minus ridentur. 10. Si qui (§ 176) 
sunt qui tardidatem Bruti reprehendant, tarnen idem moderationem 
patientiamque mirantur. 

1. Gij, (mijn) vriend, kunt niet over onrechtvaardige handelingen 
klagen. 2. Over uw onbezonnenheid kon ik mij niet genoeg verwonderen. 

3. Noch over buitengewone slechtheid, noch over buitengewone ellende 
wordt gelachen. 4. Daar de Germanen wanhoopten (door partic.) aan de 
verovering van de legerplaats, trokken zij zich terug. 5. De menschen 
klagen dikwijls over de verandering der fortuin. 6. Niemand heeft ooit 
over den dood van een eenigen zoon meer getreurd, dan deze jonge man 
bedroefd is over den dood zijns vaders. 7. Nu storen wij ons niet aan 
hun bedreigingen, waarvoor wij te voren vreesden. 8. De slaven vluchtten, 
daar zij wanhoopten aan het leven van hun heer. 9. Die dingen worden 
zeer licht (vert . : gemakkelijk) bespot, die noch grooten haat, noch zeer 
groot medelijden waardig zijn. 10. De boozen beven voor den rechter. 

27. 

§ 377 . 

1 . Reliqui hostes, ne circumirentur veriti, se fugae mandant. 2. Pala- 
mëdes, Nauplii Euboeae regis filius, iudicio iniquo est circumventus. 
3. Improbi cives, amici Catilinae, circumstabant tribunal praetoris urbani, 
obsidebant cum gladiis curiam. 4. Populus Verrem circumsedit et vivum 
comburere conatus est. 5. Rem tam gravem tacitus praeterire nullo modo 
potui. 6. Mihi videtur silentio non praetereunda esse tanta virtus. 7. Omnes 


18 


scopulos feliciter praetervecti sumus. 8. Haec properans percurro, ut 
aliquando ad illa maiora veniamus. 9. Macedo Alexander nonne tertio 
et tricesimo anno mortem obiit? 10. Civi mors ob rem publicam obita 
honori est. 

1. Antonius tastte Decimus Brutus aan en belegerde Mutina. 2. De 
vloot, uit Egypte vertrokken, vaart Creta en Sicilië voorbij en richt den 
koers (naar) Marseille (acc.). 3. Te lang heb ik misschien reeds gesproken, 
maar ik kon die zaak niet voorbijgaan. 4. Uit roofzucht ( vert . : door 
roofzucht geleid) trokken de roovers in den winter de onmetelijke zee 
over. 5. Dikwijls is reeds voorbijgegaan, wie niet voorbijgegaan had 
moeten worden. 6. De bevelhebber beveelt een deel der ruiters de 
buitenste schansen om te trekken en de vijanden in den rug aan te vallen. 

7. Lucius Fabius, een hoofdman over honderd, en zij, die tegelijk met 
hem den muur beklommen hadden, werden na omsingeld en gedood 
te zijn (door partic.), van (abl. zonder praep.) den muur afgeworpen. 

8. De Romeinsche ruiters trokken met de slingeraars en boogschutters 
de rivieren over. 9. Ik heb geheel Sicilië (in) vijftig dagen (abl.) bereisd. 
10. Mijn vader overleed (op) zijn zesenzestigdste jaar. 

28. 

§§ 380, 38L 

1. Eorum nos magis miseret qui nostram misericordiam non requirunt, 
quam qui illam efflagitant. 2. Neque me tui neque tuorum liberum 
(§ 101, A. 3) miserere potest. 3. Cicero anno sescentesimo nonagesimo 
quinto a. u. c. (= ab urbe condita) scripsit: ,,prorsus (nos) vitae taedet; 
ita sunt omnia omnium miseriarum plenissima.” 4. Eos qui secus quam 
decuit vixerunt, peccatorum suorum maxime paenitet. 5. Nunquam 
suscepti negoti Atticum pertaesum est (§ 252, 2). 6. Sunt homines, quos 
libidinis infamiaeque suae neque pudeat neque taedeat. 7. Facetus esse 
voluisti. Quam id te non decebat! 8. Antonius nee scit quod augurem, 
nee facit quod pudentem decet. 9. Atticus cum Q. Cicerone praetore ire 
in Asiam noluit. Non enim decere arbitrabatur, cum praeturam gerere 
noluisset, asseclam se esse praetoris. 10. Me meorum factorum atque 
consiliorum nunquam paenitebit. 

1. Het past u volstrekt niet, dat te zeggen. 2. Geen ding berouwt mij 
zoozeer, als dat (quam quod) ik u niet gevolgd ben. 3. Wij moeten (oportet) 
medelijden hebben met hen, die door (vert . : ten gevolge van) de fortuin, niet 
ten gevolge van slechtheid, in ellende (plur.) zijn. 4. Ik oordeel ( arbitror ), 
dat over die wet niet minder de voorsteller zelf dan zij, tegen (de) wie 
zij voorgesteld is, spijt heeft (paenitere). 5. Ik heb niet alleen verdriet 
over mijn dwaasheid, maar ik schaam (er) mij ook (over). 6. Hij had steeds 
een afkeer van lichtzinnigheid en vleierij. 7. Wie heeft geen medelijden 
met ongelukkige menschen? 8. Dappere soldaten zullen zich schamen 
over een laffen aanvoerder. 9. Mijn vriend heeft veel (vert.: zeer) ver- 
driet van zijn kinderen. 10. Ieder schaamt zich over zulk een vriend. 


19 


2. Dubbele accusat ivus. §§ 382—386. 

29. 

1. Legati Hennenses dixerunt sese a suis civibus haec habere mandata, 
ut ad Verrem adirent et eum simulacrum Cereris et Victoriae reposcerent. 
2. Lenitatem et misericordiam me natura ipsa docuit. 3. Sicilia prima 
docuit Romanos quam praeclarum esset imperare. 4. Nunc te pauca de 
ipsa causa rogabo. 5. De hac re celare te nolui. 6. Me in senatu sententiam 
rogavit tertium. 7. Ad ea quae rogati erant, non responderunt. 8. 
Dicendum est id quod ille me flagitat. 9. Sestertios CID me poposcerunt: 
dixi me daturum (esse). 10. Nihil aliud vos orat nisi ut eum in patria 
mori patiamini. 11. Caesar Germanos levis armaturae flumen traicit. 
12. Hostes montes intrare cupiebant, ut sine periculo ac timore flumen 
copias traducerent. 13. Unde illa quae docebas alios, ipse didicisse 
potuisti? 14. Scimus, si omnes deos hominesque celare possimus, nihil 
tarnen iniuste esse faciendum. 

1. Ik zal u leeren naderhand te zwijgen. 2. Indien uw meening (in den 
senaat) over deze zaak gevraagd werd , wat zoudt gij antwoorden? 3. De 
zaak zelf vordert van u gestrengheid. 4. Toen deze knaap van zijn oom geld 
ontvangen had , heeft hij het voor zijn ouders verborgen. 5. Caesar heeft 
de geheele ruiterij en de boogschutters over de brug gevoerd. 6. Ik bid 
van u niets anders, dan dat ik moge vertrekken (vgl. th. 29 A, zin 10). 
7. Waartoe (quid) zou ik hem Latijn (vert. : de Latijnsche taal) leeren 
(coni. praes.)? 8. Ik eisch van u het geld terug, dat ik u geleend heb. 
9. U vraag ik het eerst naar uw meening. 10. Caesar heeft zijn leger 
over den Rijn gebracht. 11. Waarom antwoordt gij niet op hetgeen u 
gevraagd wordt (vgl. th. 29 A, zin 7)? 12. Zijn (vert.: van hem de) 
moeder is van die daad (facinus) niet onkundig gehouden. 13.. Voor 
God kunnen wij onze misdaden niet verbergen. 14. Toen Piso onder- 
vraagd was naar zijn meening (vert.: wat hij gevoelde) over het consulaat 
van Cicero, antwoordde hij, dat wreedheid hem (pron. reflex.) niet aan- 
stond. 15. De wijsbegeerte heeft ons zoowel (cum) vele andere dingen 
geleerd, als ook (turn) (dit), dat (ut) wij ons zei ven moeten (vert. : zouden) 
leeren kennen. 16. Wij kunnen niets van dien aard (modus) voor hem 
verbergen. 


Herhaling der buigingsleer. 

Adiectiva en Comparatio* §§ 105 — 127* 

30. 

1. Dit is een woord ( vox ), een groot en wijs man waardig. 2. Deze 
edelgesteenten heb ik van een rijk en edel man gekregen. 3. Wij hebben 
in uw afwezigheid (door absens , abl. abs.) uw ijver geprezen. 4. In mijn 
tegenwoordigheid (door praesens , abl. abs.) is een Romeinsch burger 


20 


met de bijl onthoofd. 5. Hij alleen heeft (vert . : aan hem zijn) zoo veel 
boeken. 6. Er waren twee soldaten gevangen genomen; wiens leven 
hebt gij gespaard? 7. Op Sicilië, een oude en rijke ( locuples ) provincie, 
heeft Verres zeer veel kostbaarheden gestolen. 8. Pompeius heeft meer 
oorlogen gevoerd, dan anderen gelezen hebben. 9. Catilina en Verres 
en meer anderen waren zeer slechte ( nequam ) menschen. 10. Zeer vele 
menschen zijn zeer rijk en toch zeer ongelukkig, ongelukkiger dan armen. 
11. Wat is moeilijker, het begin of ( an ) het einde van een redevoering te 
vinden? Beide is voor verscheidene menschen zeer moeilijk. 12. De 
rijpste vruchten zijn de beste. 13. In de Romeinsche legioenen dienden 
gewoonlijk alleen de jongere (manschappen). 14. Wij hielden beide 
vrouwen voor groote kwaadspreeksters (vert.: zeer kwaadsprekend). 
15. Wie zal het ongelukkige lot ( fortuna ) van een ander benijden? 16. Met 
blinkend (fulgeo) goud en zilver waren de tempels der góden versierd. 


b* Accusativus tot aanwijzing van richting (doel) en van 
uitbreiding in ruimte en tijd* §§ 387 — 391* 

L zonder praepositie. §§ 387 — 390* 

31. 

1. Confluxerunt Romam et Athenas multi homines ex diversis locis 
orbis terrarum. 2. Cato annos quinque et octoginta natus e vita excessit. 
3. Bestiolae quaedam unum diem vivunt. 4. Te domum iam (wel) deducam 
tuam. 5. Aestivo tempore ex urbe rus ire solemus. 6. Nemo est qui 
possit biduo septingenta milia passuum ambulare. 7. Cimon Cyprum 
cum ducentis navibus imperator missus maiorem partem insulae devicit. 

8. Navis cum tempestate maxima Naxum ferretur, ubi tumAtheniensium 
erat exercitus, sensit Themistocles, si eo pervenisset, sibi esse pereundum. 

9. Facta tua improba magnam partem mihi soli sunt cognita. 10. Amicus 
meus facere talia ausus est, et quidem id temporis, ut nobis esset laudandus. 

1. Op zijn vlucht (partic.) uit Macedonië kwam Pompeius te Mytilenae. 
Twee dagen door een storm opgehouden vertrok hij vandaar en kwam in 
Cilicië en vandaar op Cyprus. Vervolgens begaf hij zich naar Pelusium. 
2. Mijn grootvader heeft op zijn land twee slooten gegraven van vijftien 
voet breed. 3. Zend den jongen naar huis. 4. Een man van dien leeftijd 
past het volstrekt niet, twistziek te zijn. 5. Wij zijn van plan morgen 
naar buiten (vert . : naar het land) te gaan en denken (coniug. periphr.) 
daar twee maanden te blijven. 6. De consul Gabinius heeft L. Lamia, 
een vertrouwd vriend van Cicero, verbannen, en bevolen, dat hij twee- 
honderdduizend passen van de stad verwijderd zou blijven (abesse). 
7. Dit meisje is achttien jaar oud. 8. Hoe oud zijt gij? 9. Die sloot is 
twintig voet diep. 10. De eene consul vertrok naar Sicilië, de andere 
naar het eiland Delus. 1 1 . Wij gaan naar Alexandrië, de beroemdste 


21 


stad van Egypte. 12. Vrachtschepen voeren naar Spanje en naar Azië, 
naar Chios en naar Creta, naar Milete en naar den Piraeus. 13. Wanneer 
komt gij te Milaan? 


2 . met praeposities. § 390 * 

32. 

ad, apud. 

1. Caesar obsides, arma, servos, qui ad Helvetios perfugerant, 
poposcit. 2. Habes hortos ad Tiberim. 3. Hannibalem ad portas esse 
omnes credebant. 4. In cauponula se occultans perpotavit ad vesperam. 
5. Annos ad quinquaginta natus erat. 6. Quid ad haec possumus dicere? 
7. Vere dixisti, sed quid id ad rem? 8. Apud Graecos Graecê locutus 
sum, apud Romanos Latinë. 9. Plus apud te pecuniae cupiditas quam 
iudicii metus potest. 10. M. Cato vitam ad certam rationis normam 
direxit. 11. Faciamus id quod est ad communem salutem utile. 

1. De senaat besloot, dat {ut) de consuls ten strijde {bellum) zouden 
trekken (proficisci). 2. Alles (plur.) moet gedaan worden naar het goed- 
dunken van dezen [zeer] wreeden tiran. 3. Ik bid, u, dat gij dadelijk 
bij mij komt. 4. Zij meenden, dat zij bij Romeinsche burgers veilig 
zouden zijn ( fore ). 5. Wat kan daarop gezegd worden? 6. Men beval 
hem te spreken (vert . : Hij werd bevolen te . . .). Hij antwoordde: „Tot 
wien? M „Tot mij,” zeide de rechter. 7. Morgen zal uw broeder bij ons 
eten (coniug. periphr.). 8. De oude Grieken zijn bij ons en in de overige 
landen in eere. 9. De soldaten sneuvelden tot op den laatsten man. 
10. De Helvetiërs wierpen zich weenend aan de voeten van den over- 
winnaar en baden ( petere ) om vrede. 11. Zult gijlieden dit (aan)hooren 
en toelaten ( pati ), dat (het) in uw tegenwoordigheid gezegd wordt? 

33. 

iuxta, penes, prope, propter, ante, post. 

1 . Ante mediam noctem ad portas castrorum clamor oriebatur. 2. Ante 
oppidum plankies ad milia passuum tria in longitudinem patebat. 
3. Caesar postquam Pompeium ad Asparagium esse cognovit, eodem 
cum exercitu profectus tertio die iuxta Pompeium castra posuit. 4. Pom- 
peius agros in Hispania propter Carthaginem novam vendidit. 5. Amicitia 
propter se est expetenda. 6. C. Gracchi temporibus iudicia penes equestrem 
ordinem erant. 7. Ex Asia rediens cum ab Aeglna navigarem, coepi 
regiones circumcirca prospicere: post me erat Aeglna, ante me Megara, 
dextra Piraeus, sinistra Corinthus. 8. Sulpicius cum iam prope castra 
Antonii venisset, quo senatus eum miserat, vi morbi oppressus vitam 
amisit. 9. Magna tempestate coorta multae naves ad partem insulae 
Britanniae quae est propius solis occasum, sunt deiectae. 


22 


1. Herinner u dien dag; stel (u) voor oogen de vreugde uwer ouders 
en vrienden. 2 .Dumnorix stond in groote gunst bij het volk wegens 
zijn vrijgevigheid. 3. Caesar beval, dat (ut) die dingen (ea), welke in het 
bezit zijner soldaten waren , aan hen, die ze verloren hadden, zouden 
worden teruggegeven. 4. De burgers zijn kort (paulö) voor middernacht 
in stilte uit de stad getrokken. 5. De stadspraetor plaatste zijn rechter- 
stoel vlak bij den zetel van den consul. 6. Cicero hield vele redevoeringen 
voor het volk. 7. De troepen der vijanden zijn dicht bij onze legerplaats 
gezien. 8. De Romeinen zagen voor den mond van den Tiber de vloot 
der vijanden. 9. Attus Navius, de augur, heeft uit armoede als knaap 
de zwijnen geweid. 10. Achter de legioenen had Caesar de bagage van 
het geheele leger geplaatst. 


34. 

praeter, secundum, adversus, versus, contra. 

1. Secundum deos homines hominibus maxime utiles esse possunt. 
2. Utendum est (Men moest) excusatione adversus eos, quos invitus 
offendas (men . . .) 3. Caesar castra secundum mare iuxta hostium castra 
muniri iussit. 4. Omnes homines aut secundum naturam vivunt aut 
contra eam. 5. Ex tam acri proelio militum pars praeter spem incolumis 
in castra pervenit. 6. Mithridati praeter ceteros Rhodii inimici erant. 
7. Pompeiani Larlsam versus se recipere coeperunt. 8. Cassius cognito 
Scipionis adventu ad montes se convertit qui Thessaliam cingunt, atque 
ex his locis Ambraciam versus iter facere coepit. 9. Sunt (Er z.) impii 
cives, sed contra multitudinem bene sentientium admodum pauci. 
10. Tauri pro vitulis contra leones summa vi contendunt. 

1. Er gebeuren vele dingen anders dan wij meenen en hopen (vert.: 
tegen (onze) meening en (onze) hoop). 2. De soldaten hebben gehandeld 
overeenkomstig de bevelen van hun officieren. 3. De legioenen mar- 
cheerden langs den Tiber. 4. De oorzaak van den tweeden Punischen 
oorlog, dien Hannibal voerde tegen de Romeinen, was de belegering 
van Saguntum. 5. Tot deze daad kon niemand behalve hij (iste) genoopt 
worden: wie immers was zoo onmenschelijk behalve hij alleen? 6. Het 
staat nu vast, dat mijn vriend reeds uit Azië in de richting van Rome 
vertrokken is. 7. De smart over (genet.) de beleediging maakt mij tegen 
mijn gewoonte bitter. 8. Ook tegenover den vijand zijn er rechten en 
plichten. 9. Volgens hem is niets schooner dan de vriendschap. 10. Tegen- 
over het Romeinsche volk kan ik mijn daden gemakkelijk verdedigen. 

35. 

erga, ob, circum, circa, circiter, cis, trans, citra, ultra. 

1. Terra circum axem summa celeritate se convertit. 2. Hannibal omnes 
vicos qui circa Capuam sunt, occupaverat. 3. Hoe tu quam ob rem non 


23 


fecisti? 4. Huic misero mors ob oculos versatur. 5. Milites fidem erga 
imperatorem suum Cn. Pompeium conservare voluerunt. 6. Menapii cis 
Rhenum dispositis praesidiis Germanos transire prohibebant. 7. Exercitum 
citra flumen Rubiconem traduci vetuit senatus. 8. Propter hominum 
multitudinem agrique inopiam Galli trans Rhenum colonias miserunt. 
9. Circiter Kalendas Februarias Amstelodamum veniemus. 10. Omnibus 
ultra castra transque montes exploratis dux milites progredi iussit. 

1. Crassus is, nadat zijn zoon gesneuveld en zijn leger vernietigd was, 
aan gene zijde van den Euphraat met smaad en schande omgekomen. 

2. Zijn liefde jegens u is aan ons allen bekend. 3. Caesar vroeg aan 
(ex) de krijgsgevangenen, om welke reden Ariovistus geen beslissenden 
slag leverde. 4. Aan deze zijde der Alpen is niets, wat Italië behoeft 
(gerundiv.) te vreezen. 5. Ik weet niet, wat de oorzaak is van uw 
welwillendheid jegens hem. 6. Rondom het marktplein stonden vele [zeer] 
prachtige tempels. 7. De ouden meenden, dat de zon zich om de aarde 
beweegt (volvï). 8. Dit gerucht is niet naar deze zijde van den Rijn 
doorgedrongen. 9. Bibulus zette, zoolang de vijand aan deze zijde van 
den Euphraat was, geen voet buiten de poort. 10. Onze rechters zullen 
nooit geld aannemen om (ob) een onschuldige te veroordeelen. 

36. 

extra, intra, inter, supra, per. 

c* Accusativus bij uitroepen* § 391 * 

1. Magno me metu liberabis, Catilina, dum modo inter me atque te 
murus intersit. 2. Nemo egredi extra munitiones audebat. 3. Constat 
inter omnes neminem te, Trebati (§ 100, A. 2) iuris peritiorem esse. 
4. Amici Antonii, gladios ostentantes, sui simills greges ducebant per 
forum. 5. Obsecravit eum per fratris sui mortui cinerem, per ipsius 
coniugem et liberos, ut si non hominis, at humanitatis rationem haberet. 

6. Per homines egestate et scelere perditos optimis civibus periculum 
inferre conantur. 7. In nostra castra ille nunquam veniet; multo minus 
nos in illius; reliquum est ut et accipiantur et remittantur postulata 
per litteras. 8. Nonnulli philosophi res humanas despicere atque infra 
se positas arbitrari solent. 9. Classis supra Ephesum navigabat. 10. Heu, 
me miserum, cur senatum cogor, quem laudavi semper, reprehendere? 
11. Intra domesticos parietes nullum periculum est pertimescendum. 

1. Uit het hart en dc longen verbreidt zich het bloed door de aderen 
in (in met acc.) het geheele lichaam. 2. Mijn vriend woont boven ons. 

3. Mijn grootvader wordt niet (meer) onder de levenden geteld. 4. Twee 
jaren lang heb ik Homerus gelezen. 5. Wilt niet, o rechters, (ik bezweer 
het u) bij uw geluk (plur.) en bij uw kinderen, mijn vijanden blijdschap 
geven. 6. Deze vrienden beminden elkander zóó, dat men (vert . : gij) ge- 
zegd zou hebben (imperf.), dat alle dingen onder hen gemeen waren. 

7. O groote en ondragelijke smart! 8. Nauwelijks was de achterhoede tot 

WOLTJER en VAN bleek, Lat. Oef. II. * 3 


24 


buiten de verschansingen voortgetrokken, of ( cum ) de Galliërs trokken 
de rivier over. 9. Mijn broeder wilde een reis door Italië maken, maar 
hij is door een ernstige ziekte aangetast. 10. De veldheer beveelt alle 
soldaten zich binnen de verschansingen terug te trekken. 1 1 . Het plan 
van Caesar is door middel van kooplieden aan de Britanniërs over- 
gebracht. 12. Een mooie ( praeclarus ) getuige, rechters! En welkeen 
onbaatzuchtigheid ! 


AANHANGSEL II. 

Grieksche woorden IN HET LATIJN. §§ 139 — 149. 

37. 

De volgende Grieksche woorden worden alle bij Cicero in het Latijn 
gevon4en; breng ze, met behoud van de naamvallen, in den Latijnschen 


vorm over: 

Aïavza (Aïag). 
Alftionag. 

’Afidjuavza ( 9 A&duag). 
9 A%iikevg. 

9 Agycb (acc.). 
Agiozoydvrj. 

Xdgvfiöiv. 

Kvxhx>jiag. 
xgazfjga, mengvat. 
Kagveddrj ( Kagveddrjg) . 
KUavêeg (KXedv&rjg). 
KdXyavza (KdXyag). 
ffidojudda, zevental. 
e Alvv . 

Ileglxkeig. 

Ildva (Ildv, godheid). 
IJaXajurjör]. 

Tio irj o iv, dichtkunst. 
Ilgojurj&ev. 

Xancpzo. 

XocpóxXeig, 

Xcoxgazeg. 

9 Odvooéa. 

9 Odvooeta. 


Aiyvnxog . 

xavrjcpógoi, manddraag- 
sters. 

Kêcx) (Kécog). 

Kcbxvzog. 

Xiov. 

AfjXov. 

Advfïcuov. 

'Pódov. 

Xovvlov. 

diahxzLxrjg, 

redeneerkunst . 
9 Agoivóï]g (Agoïvórj). 
IlaoKpdrjg (HaoKparj). 
0otvixrj. 

XeXrivrjv. 

Ilv&ayógav. 

rigiYjVYjv. 

9 I&dxrjv. 

Aïzvrjv. 

IlrjveXÓTzrj. 

Niófir]. 

'EXévrj. 

Exdzrjv. 


Evgd)7iY]v . 

Kigxrjv. 

KaXhónYj. 

Avdgojudyrjv. 

9 AXxjurjvrj. 
èmzojurjv, uittreksel. 
piPXioftrjxrjv, boekerij, 
juovoixrj, toonkunst . 
ygajLijuazixrj. 

Ovéoza (Gvéozrjg). 
Alrjza (Anjzrjg). 
9 Hjieigd)zr}g. 
négorjg. 

Xxvdv\g. 

dvayvcbozrjg, voorlezer. 
(pagjuaxo7id)Xï]v, die too- 
verdranken verkoopt , 
kwakzalver. 

xiftagiozijv, citerspeler, 
riavoavlag. 

0 doxzrjzrjv . 
AXelgdvdgeta. 

* Iegooókvjua . 


25 


38. 

1. In libro Platonis, qui Phaedrus inscribitur, hoe Periclem praestitisse 
ceteris oratoribus dicit Socrates, quod is Anaxagorae physici fuerit auditor. 

2. Sol lunae oppositu solet deficere, quod Thaletem Milesium primum 
vidisse dicunt ( men z.). 3. Demochares fuit Demostheni sororis filius. 
4. Tu, cum e vita excesseris, ad eos venies, qui vere iudices appellantur, 
Minöem, Rhadamanthum, Aeacum, Triptolemum, et colloqui cum Orpheo, 
Musaeo, Homero, Hesiodo tibi licebit. 5. Etiam {zelfs) virgines, regis 
Erechthei filiae, mortem pro patria contempserunt. 6. Vercingetorix 
clandestinis nuntiis legationibusque Allobrogas sollicitat. 7. Sophistes 
appellabatur is, qui ostentationis aut quaestüs causa philosophabatur. 
8. Si tyrannidem occupare, si patriam prodere conabitur pater, silebitne 
filius? 9. Anaximenes aëra statuit deum eumque esse immensum et 
infinitum et semper in motu. 10. lam heroicis aetatibus Ulixem et Nes- 

torem accepimus habitos esse sapientes. 

♦ 

1. Homerus schrijft, dat Calchas de beste waarzegger geweest is. 

2. Themistocles wekten de zegeteekenen van Miltiades uit den slaap. 

3. De góden hebben met de Titanen en de Giganten hun eigen oorlogen 
gevoerd. 4. Plato liet twee leerlingen na, (die) zeer voortreffelijk (waren) 
door hun geleerdheid, Xenocrates, den Chalcedoniër en Aristoteles, den 
Stagiriet. 5. Clytaemestra doodde Agamemnon; zij zelf is door haar 
zoon Orestes vermoord. 6. Hadt gij, zanger, dat niet terstond kunnen 
zeggen? 7. De zwanen zijn aan Apollo gewijd. 8. In de schilderkunst 
prijzen wij (wel) Zeuxis, Polygnötus en Timanthes, maar bij {in met 
abl.) Aëtion, Nicomachus en Apelles is alles volmaakt. 9. Hercules is 
geboren uit Iuppiter en Alcmëne. 10. Op {In met abl.) het voetstuk van 
het beeld was een Grieksch opschrift gegraveerd. 11. Niemand hoorde 
bij een gastmaal van Atticus een anderen artist dan een voorlezer. 
12. Grooten lof in het spreken kent Homerus aan Odysseus en Nestor toe. 


Herhaling. 

39. 

De Argonautis. 

Athamas, rex Orchomeni, quae urbs est Boeotiae, habuit ex Nebula 
uxore filium Phrixum et filiam Hellen. Quos cum Ino, altera Athamantis 
uxor quam duxerat, postquam Nebula furore agitata in silvas se abdidit, 
interficere vellet, Nebula arietem, qui vellus aureum habebat, adduxit, 
in quem natos suos adscendere et ad Aeëtam, regem Colchidis, transire 
ibique arietem Marti immolare iussit. Phrixus et Helle cum adscendissent 
et aries eos in mare detulisset, Helle de ariete decidit, ex quo Hellespontus 
hoe mare est appellatum; Phrixum autem aries in Colchorum terram 


26 


transtulit. Ibi arietem immolavit pellemque auream in luco Martis posuit 
dracone custode apposito. Phrixum Aeetes libenter recepit filiamque 
Chalciopen dedit ei uxorem, quae postea Argum et fratres eius peperit. 
Sed veritus est Aeetes, ne (dat) se regno eiceret Phrixus, quod ei respon- 
derant ex prodigiis haruspices, periculum ei impendêre ab advenae filio. 
Itaque Phrixum interfecit. At filii Phrixi navem conscenderunt, ut ad 
avum Athamantem se conferrent. In cursu tarnen magna tempestate 
coorta naufragium fecerunt et in insulae cuiusdam litus deiecti sunt, 
ubi Iason eos offendit. 


40. 

Vervolg. 

Iason nepos fuit Crethei, qui in Thessalia urbem Iolcum condidit, filius 
Aesönis, quem frater minor Pelias regno spoliaverat. 

Cum Pelias regnum occupavisset, Iason in tuto collocatus est et custodiae 
commissus Chirönis centauri, qui eum educavit. 

Post viginti fere annos Iason iuvenis in patriam se contulit et ad 
Peliam venit. Is cum sacra faceret Neptuno in foro cum toto populo, 
Iasonem conspexit; sacrisque factis eum rogavit quis esset; quirespondit se 
filium esse Aesonis, fratris Peliae et se venisse, ut a patruo regnum patris 
repeteret. Ad quae Pelias „dabo”, inquit, „tibi id quod rogas, si tu feceris 
quod iubebo. Saepe in somniis video umbram Phrixi, quae iubet me 
ad Colchidem navigare et ossa sua atque auream pellem arietis ab rege 
Aeeta petere. Ego tarnen senex sum, tu iuvenis. Proficiscere igitur et 
illas res huc transporta: turn ego te in regnum restituam.” Sperabat 
autem Pelias numquam ex tam periculosa expeditione reversurum esse 
Iasonem, nam ingens draco vellus custodiebat. 

In radicibus Pelii montis magna navis aedificata est auctore Minerva 
et in mare deducta; nomen a fabro est impositum Argo, unde nautae 
huius navis Argonautae dicti sunt. Totius exercitus dux Iason fuit; guber- 
nator navis Tiphys; ad proram sedit Lynceus, qui multa videbat; cum 
iis multi viri praeclari iter fecerunt, inter quos Hercules et Peleus et 
Telamon, Castor et Pollux, Orpheus, Calliopae Musae filius, praeter alios 
memoria digni sunt. 

Ancoris sublatis Argo quinquaginta remis incitata celeriter navigabat 
et multa promunturia insulasque multas praetervehebatur. Post varios 
casus Argonautae venerunt ad litus Thraciae, ubi Phineus, cui Apollo 
divinationem dederat, regnabat. Sed Phineus deorum consilia cum ho- 
minibus enuntiaret, summas poenas dedit; nam Iuppiter caecum eum 
fecit et Harpyias, quae Iovis canes dicuntur, quotiescunque edere vellet, 
escam ab ore eius auferre et contaminare iussit. Ad hunc cum Iason et 
socii eius venissent eumque iter ut monstraret rogassent, dixit se mon- 
straturum esse, si eum poena liberavissent. Tune Zetes et Calais, Aquilonis 


27 


venti filii, qui pennas in capite et in pedibus habebant, Harpyias fuga- 
verunt in insulas Strophad&s, et Phineum poena liberaverunt, ut cibos 
deinde sine metu capere posset. Quod cum factum esset, Phineus Argo- 
nautis iter monstravit addiditque, quo modo pericula, praeter alia in 
primis saxa, quae Symplegades appellabantur, evitare possent. 


41 . 

Vervolg. 

Symplegades scilicet erant duo ingentia saxa in freto, quod est ante 
introitum Ponti Euxïni ; quae cum perpetuo concurrerent et discederent, 
magna pericula nautis parabant; nam omnis navis quae erat inter eas, 
cum concurrebant, contundebatur. Per has Symplegades igitur cursus 
erat dirigendus Argonautis. Auctore Phineo cum ad rupes venissent 
miserunt columbam, quae vix pervolavit priusquam concurrerunt ; turn, 
ubi discedere coeperunt, nautae celerrime navigaverunt et Minerva 
iuvante pervenerunt, ante quam scopuli iterum congressi sunt. 

Argonautae cum sic per saxa intrassent mare, quod dicitur Euxlnum, 
post longos errores voluntate Iunonis delati sunt ad insulam Ariam, 
Marti sacram. In hac insula invenerunt naufragos nudos atque inopes, 
Phrixi filios. Qui cum casus suos exposuissent Iasoni, ab eo hospitio 
sunt invitati. 

Cum iam iter pergerent et prope Colchorum terram venissent, Phrixi 
filii iusserunt navem in occulto collocari, et ipsi egressi in terram ad 
matrem venerunt Chalciopen, Aeetae filiam, eique casus suos narraverunt: 
se in insula Aria esse exceptos ab Iasone, qui venisset, ut pellem auream 
caperet et ad regem Peliam transportaret. Chalciope filios suos salvos 
revertisse gavisa, Iasonem bene de iis meritum grato animo hospitio 
excepit. Fuit autem Chalciopes soror Medëa venefica peritissima. Quae 
ut Iasonem vidit, amore eius capta est. Pollicetur se Iasonem adiuturam 
esse, quod facillime facere poterat, cum multum scientia venenorum et 
herbarum valeret. 


42 . 

Slot. 

Aeetes, rex Colchorum, cum Iason eum rogavisset, ut sibi aureum 
vellus daret, respondit tune se daturum esse, cum Iason fecisset quod 
iuberet. Iussit autem eum tauros aëneos pedes habentes et flammas 
naribus spirantes ferreo iugo iungere et arare, deinde dentïs draconis 
ex galea serere, ex quibus armati viri statim enascerentur. Quod ut Iason 
audivit, intellexit regem nolle auream pellem auferri; confisus autem 
auxilio Medeae dixit se araturum esse. Medea ei paravit venena, 


28 


quibus corpus et arma unxit, quo facto robur eius tantum fuit, ut 
tauris iugum imponeret eosque aratro iungeret. Cum aravisset et 
dentes sevisset et viri armati ex eo semine nati essent, effecit, ut isti 
viri, qui cum eo armis erant contenturi, inter se pugnantes alius alium 
interficerent. Medea enim auctore magnum lapidem inter eos iaculatus 
est, de quo illi continuo pugnare coeperunt. Hoe modo Iason opus 
imperatum perfecit. Aeetam vero non fugerat, Medeam peregrinos 
adiuvisse, quam ob causam eam uleisei voluit. Quod cum Medea ani- 
madvertisset, patris crudelitatem effugit. Dracone venenis sopito pellem 
e luco abstulit, cum Iasone et reliquis Argonautis navem conscendit, 
parentes patriamque reliquit, ut uxor esset Iasonis. 

Iason cum Peliae, patrui sui iussu, tot pericula et labores adisset, 
cogitare coepit, quomodo eum sine suspicione interficeret. Hoe Medea 
se facturam pollicetur. Itaque cum prope Iolcum venissent, navem iussit 
ad locum occultum appelli et ipsa ad Peliae filias, simulans se Dianae 
sacerdotem esse, venit; eis pollicetur se patrem earum Peliam ex sene 
iuvenem esse facturam. Quod quia filiae negaverunt fieri posse, Medea 
arietem veterem in aënum coniecit, unde agnus (als . .) pulcherrimus 
prosiluit. Hoe miraculum filias Peliae fefellit, quae patrem suum occisum in 
aëno coxerunt, sed sero animadverterunt eum iuvenem (als . .) non exsilire. 

Hoe modo Iason cum imperium occupavisset, Acasto, Peliae filio, 
quod secum iter ad Colchos fecerat, regnum tradidit et ipse cum Medea 
uxore Corinthum profectus est, ubi multos annos feliciter vixerunt. 


II. Dativus. 

§§ 392—403* 

a* Dativus commodi et incommodi* §§ 392 — 401* 

43. 

§ 392* 

1. Alteri vivas oportet, si vis tibi vivere. 2. Neque turpis mors forti 
viro potest accidere, neque misera sapienti. 3. Huic viro nihil inimicius 
est quam sibi ipse. 4. Oculis magis habenda (est) fides quam auribus. 
5. Docto homini et erudito vivere est cogitare. 6. Populus Romanus 
etiam bello victis regibus regna reddere consuevit. 

1. Den gierigaard ontbreekt zoowel wat hij heeft, als wat hij niet heeft. 
2 Dwaas is het, zich zonder reden aan gevaren bloot te stellen. 3. Niet 
voor de school, maar voor het leven leeren wij. 4. Altijd moet gehoor- 


29 


zaamd worden aan den wil der ouders. 5. Dit zijn moeilijke tijden voor 
den staat. 6. De onsterfelijke góden zullen (coniug. periphr.) deze [zeer] 
schoone stad te hulp komen. 7. Mijn huis staat altijd open voor al mijn 
vrienden. 8. Isocrates was gewoon, redevoeringen voor anderen te 
schrijven. 


44. 

§ 393* 

1. Id a te petimus non tam nostrae causae fidentes quam tuae huma- 
nitati. 2. Caesar cuidam ex equitibus Gallis magnis praemiis persuadet, 
ut ad Ciceronem epistulam deferat. 3. Cui tu bene dixisti unquam bono? 
Bonis male dicis, malis bene dicis. 4. Ista condicio est testium, ut quibus 
non credamus negantibus, isdem non credamus aientibus. 5. Caesar 
militibus legionis decimae maxime confidebat. 6. Quis non adflictae et 
perditae rei publicae, quantum possit, mederi velit (zou willen)? 
7. Catilina toti rei publicae interitum minabatur. 8. Tu legi atque causae 
nostrae cur obtrectas? 

1. De Germanen legden zich niet toe op den landbouw. 2. Daarom 
dienen wij allen de wetten om vrij te kunnen zijn (vert . : opdat wij vrij 
kunnen zijn). 3. In Indië plegen meerdere vrouwen met één man (plur.) 
getrouwd (adi.) te zijn. 4. Antonius zal op dezen mijn roem niet af- 
gunstig zijn. 5. Vele burgers hebben den senaat om (pro) den terugkeer 
van den balling gesmeekt. 6. Spaart mijn oogen althans. 7. Orgetorix, 
die onder (vert.: bij) de Helvetiërs verreweg de aanzienlij kste en de 
rijkste was, haalde Dumnorix den Aeduer, den broeder van Divitiacus, 
over, om (vert.: dat (ut) hij zou. .) zich van de heerschappij in zijn staat 
meester te maken. 8. Wij gelooven hem niet, die ons vleit. 9. De gezindheid 
der burgers wantrouwende (§ 595) voert de veldheer de cohorten uit de 
stad weg. 


§ 395. 

45. 

1. Vestra, Quirites, potestas proxime ad deorum immortalium numen 
accedit. 2. O nox illa, quae paene aeternas huic urbi tenebras attulisti! 
3. Calamitas nostra tanta fuit, ut eam ad auris imperatoris non ex proelio 
nuntius, sed ex sermone rumor adferret. 4. Hi neque habendi sunt 
cives neque ad concilium adhibendi. 5. Vinum aegrotis, quia prodest 
raro, nocet saepissime, melius est non adhibere omnino. 

1. Daar bij de vermoedens (nog) zekere (superl.) bewijzen (res) kwamen , 
oordeelde ik strenger tegen hem te moeten handelen (vert . : dat tegen 


30 


hem strenger moest gehandeld worden). 2. Vele staten waren tot het 
vriendschapsverbond met (genet.) Caesar toegetreden. 3. Een ieder 
voegde aan {ad) dat, wat hij van een ander gehoord had, iets van zijn 
(eigen) vrees toe. 4. Pompeius durfde, daar hij een hinderlaag vreesde 
(door partic.), een tijdlang de verschansingen niet naderen. 5. Op Cyrus 
volgde Cambyses, die Egypte aan het gebied van zijn vader toevoegde. 
6. Dit zeg ik, dat aan den heer (des huizes) door zijn eigen gezin de 
handen geslagen zijn. 7. Talrijke geruchten kwamen {afferri) tot Caesar, 
dat alle Belgen tegen het Romeinsche volk samenspanden. 8. Aan 
hopelooze (zieken) verbiedt ook Hippocrates een geneesmiddel te geven 
(adhibere). 9. Zij hebben de waarheid geweld aangedaan. 


46. 

1. Ipsius {Zelfs) Nestoris vita brevissima est, si cum aeternitate conferas 
(§ 359, 3°). 2. Ennius equi fortis et victoris senectuti comparat suam. 

3. Stoici finem bonorum esse senserunt congruere naturae cumque ea 
convenienter vivere. 4. Convenienter naturae vivere, id habet hanc sen- 
tentiam: cum virtute congruere. 5. Tibi, amice, me studia communia 
iam diu coniunxerunt. 6. Cicero orationem habuit pro Tullio, homine 
coniuncto cum eo non minus animo quam nomine. 7. Proditor ille 
omnia mea consilia cum aliis communicavit. 8. Consentite cum bonis. 

1. De Segestanen waren door vriendschap en verwantschap met het 
Romeinsche volk verbonden. 2. Indien geheel Gallië het met de Germanen 
eens is {vert.: met de Germanen overeenstemt), is alleen (adi.) in snel- 
heid heil gelegen {ponere). 3. Niets ontbreekt mij nu zoozeer, als een 
mensch, aan wien ik alles, wat mij ter harte gaat, (kan) mededeelen. 

4. Caesar vatte het plan op om (vgl. th. 44 B, zin 7) zich zoodra mogelijk 
met Antonius te vereenigen. 5. Vergelijkt mensch met mensch, tijd 
met tijd, zaak met zaak. 6. De wetten van den staat kwamen overeen 
met het oordeel van het volk. 7. Laat ik (eens) zeer kleine zaken met 
zeer groote vergelijken. 8. Alle macht der onsterfelijke góden is öf op 
{ad) u overgebracht, rechters, öf althans {certe) met u gedeeld. 


47. 


1. Utinam in has miserias numquam incidissemus ! 2. Maiestatem 
minuere est de dignitate populi aliquid derogare. 3. Senatorem populi 
Romani si non invitant {men), honorem debitum detrahunt non homini, 
sed ordini. 4. Incidit in Scyllam , qui vult vitare Charybdin. 5. In summo 
imperatore quattuor has res inesse oportet : scientiam rei militaris, virtutem, 
auctoritatem, felicitatem. 6. Deleta Karthago est, quod {omdat) imminere 
fructuosissimis insulis populi Romani videbatur. 7. Hortensius veritus 


31 


est ne {dat) tribunus plebis ei legi intercederet. 8. Omnes omni studio 
in id bellum incubuerunt. 

1. De dichters zeggen, dat de Giganten den onsterfelijken góden den 
oorlog hebben verklaard. 2. Caesar verbiedt aan allen om iemand, wien 
ook (< quisquam ), te dooden (vert. : dat (nê) zij zouden dooden). 3. Ik 
zag, hoe groot een storm den staat boven het hoofd hing. 4. De bond- 
genooten hebben zich voor (pro) onze heerschappij in levensgevaar 
begeven. 5. Op bevel van Verres werd een huisvader de ring van den 
vinger afgetrokken. 6. Piso heeft zijn broeder, (die) door de vijanden 
(was) afgesneden (van het leger), aan het gevaar ontrukt. 7. Er waren 
(inesse) geen menschen in de stad. 8. De reizigers* vielen in de handen 
der roovers en kwamen om. 9. Caesar vernam die feiten van hen, die 
bij het gesprek tegenwoordig waren geweest ( interesse ). 

48. 

1. Non citius adulescentiae senectus quam pueritiae adulescentia obrepit. 
2. Ista res non tantum tibi profuit, quantum mihi obfuit. 3. Mihi 
mendacium, furtum, fraus obiciuntur. 4. Quam ob rem fasces praetoribus 
praeferuntur? 5. Hominum ignobilium virtutem nobilitatis inertiae prae- 
tulerunt. 6. Legioni quartae decimae castrisque Quintus Tullius Cicero 
praeërat. 7. Spero omnes deos, qui huic urbi praesident, mihi relaturos 
esse gratiam. 8. Ex castris cohortes submittebantur, ut integri defessis 
succederent. 

1. Niets bloeit altijd; (de eene) tijd volgt op (den anderen) tijd. 
2. Tegenover de ruiterij der vijanden stelde Caesar zijn ruiters. 3. Ik 
ontken, dat het waar is, wat mij door u voor de voeten geworpen wordt. 
4. Het negende legioen van Caesar wierp zich den troepen van Pompeius 
in den weg. 5. Met de rechterhand droeg hij een brandende fakkel voor 
zich uit. 6. De kinderen liepen hun vader bij zijn aankomst (§ 597) 
tegemoet. 7. Strijdt dapper voor het vaderland, verkiest den dood boven 
de slavernij. 8. Darius stelde Datis en Artaphernes aan het hoofd der 
vloot. 9. De roover wilde zijn hoofd niet onder de bijl leggen. 10. De 
meester moedigt de leerlingen aan, opdat zij niet (opdat . . niet = nê) 
onder het werk bezwijken . 

49. 

§§ 396 , 397 , 399 . 

1. Toti urbi, templis, tectis ac moenibus circumdatos ignis restinximus. 
2. Agesilaum mortuum amici, quo {opdat) Spartam facilius perferre 
possent, quod mei non habebant, cera circumfuderunt atque ita domum 
rettulerunt. 3. Pythagoras ne Apollini quidem Delio hostiam immolare 
voluit, ne aram sanguine adspergeret. 4. Cives Capuae Ciceronem inaurata 


32 


statua donarant. 5. Classe quondam Masinissae regis Melitam, quod est 
oppidum in insula eiusdem nominis, appulsa praefectus regius dentes 
eburneos e fano Iunonis sustulit et Masinissae donavit ; rex primo delectatus 
est munere, post, cum audivisset unde essent, statim certos homines in 
quinqueremi misit, qui eos dentes reponerent ( moesten . .). 6. Cum iurato 
sententia dicenda est, meminerit deum se adhibere testem. 7. Hic tibi 
perfugium speras futurum? 8. Est homini cum deo similitudo. 9. Huic 
virgini quid est praeter fratrem, quod carum esse possit? 10. An ( Of) 
nescis longas regibus esse manus ? 

1. De woningen der Galliërs zijn meestal gebouwen, door een bosch 
omgeven. 2. Gij zult mij terugroepen, zoo ik tracht (futur.) buiten deze 
perken te gaan, waarmee ik mij zelf omgeven heb. 3. De koningin 
schonk haar schrijver een gouden ring. 4. De vijanden begonnen den 
onzen den toevoer van levensmiddelen af te snijden. 5. Op drie dingen 
moet de redenaar acht geven (videre): wat hij zegt en waar en hoe. 
6. Door u. Romeinen, moet die smet, in (abl. zonder praep.) den Mithri- 
datischen oorlog ontvangen (< concipere ), worden uitgewischt. 7. De roovers 
hadden den reiziger van al zijn kleederen en geld beroofd. 8. De 
Romeinen droegen ( [vert . : waren bekleed met) in huis ( domi ) gewoonlijk 
alleen een tunica. 9. Hij had te Rome ( Romae ) zijn huis, zijn vrouw en zijn 
kinderen. 10. Kooplieden hadden geen (nullus) toegang tot de Nerviërs. 

b. Dativus van doel of strekking* §401* 

50. 

1. Dixit eam rem mihi magnae laudi magnoque honori fore. 2. Gallis 
prae magnitudine corporum suorum brevitas Romanorum contemptui fuit. 
3. Virtus sola neque datur dono neque accipitur. 4. Ait sibi officium, 
fidem, diligentiam semper cordi fuisse. 5. Magnae nobis est sollicitudini 
valetudo tua. 6. Milites ex veteribus legionibus erant relicti praesidio 
navibus. 7. Paucis temeritas est bono, multis malo. 8. Habere quaestui 
rem publicam non modo turpe est, sed sceleratum etiam et nefarium. 

1. Aan het hoofd van de ruiterij, die de Aeduers Caesar te hulp hadden 
gezonden, stond Dumnorix. 2. De dood van Ariovistus was den Germanen 
tot groote smart. 3. Codrus viel in den strijd (§ 597), maar was den 
zijnen tot heil. 4. Te groot zelfvertrouwen strekt gewoonlijk (vert. : pleegt 
te str.) tot groot onheil. 5. Het geluk geeft veel (neutr. plur.) ten gebruike, 
niets tot eigendom. 6. De dood, voor (ob) het gemeenebest ondergaan, 
strekt den burger tot eer. 7. Voor het volk was de pracht der spelen een 
bron van genot (vert. : aan het volk strekte tot genot. .). 8. Deze gierigaard 
pleegt aan armen geld op woeker te geven. 


33 


AANHANGSEL I. 

Substantiva én adicctiva anomala. §§ 127 — 139* 

A. Abundantia. 

§ 128 . 

1. Substantiva. 

51. 

1. Boum ipsa terga declarant non esse se ad onus accipiendum 
figurata. 2. Magnam utilitatem agricolae percipiunt e bubus. 3. Olympiae 
(te O.) per stadium ingressus esse Milo athleta dicitur, cum humeris 
sustineret bovem vivum. 4. In Gallia paene etiam in singulis domibus 
factiones sunt. 5. Fuit proprium populi Romani longe a domo bellare. 
6. Tu multis inspectantibus caput feriebas, femina plangebas. 7. Mulus 
et equus frenos recipere solent. 

1. Isocrates zeide, dat hij zijn leerling Ephorus de sporen, daarentegen 
Theopompus den teugel moest aanleggen (vert . : aanlegde). 2. De horens 
van den oeros (plur.) verschillen veel van de horens van onze runderen. 

3. Op de dij van het beeld was de naam van den kunstenaar geschreven. 

4. Om het geld te kunnen geven, verkocht de boer zijn runderen en 
zelfs (door ipse) zijn ploeg. 5. De gezanten zeiden, dat de Helvetiërs 
hun huizen hadden verlaten, om aan geheel Gallië den oorlog te 
verklaren. 6. De huizen van alle Germanen staan open voor hen, die, 
om (de) welke oorzaak ook, tot hen gekomen zijn. 7. Wie zag ooit zooveel 
geld in één huis opgehoopt? 


52. 

1. Quam multa ioca solent esse in epistulis, quae prolata si sint, inepta 
videantur. 2. Persae propter multitudinem e sedibus profecti possederunt 
ea loca, quae proxime Carthaginem Numidia appellatur. 3. Cum perves- 
tigare argumentum aliquod volumus, locos nosse debemus; sic enim 
appellatae ab Aristotele sunt eae quasi sedes (vindplaatsen) e quibus 
argumenta promuntur. 4. Pecora propter bellum finitimae civitates 
longius removerant. 5. Videmus multitudinem pecudum, partim ad 
vescendum, partim ad cultus agrorum, partim ad corpora vestienda. 
6. In natura requietem animi delectationemque quaerimus. 7. A Iove 
principium. 8. Requiem aeternam dona eis (mortuis), Domine. 

1. De slaap brengt rust aan het lichaam (plur.). 2. Gisteren uit de stad 
vertrokken, kwam ik tegen den avond hier[heen]. 3. Mijn oom heeft van 
zijn jeugd af met ijver (adv.) zeer sierlijk (comparat.) huisraad van koper 


34 


bijeengebracht. 4. Cicero zegt, dat de jonge mannen behagen scheppen 
in de lessen van oude menschen. 5. Cicero heeft sommige plaatsen uit 
(ab) Aristoteles en Plato vertaald. 6. Zij namen steden in, verwoestten de 
akkers (en) dreven het vee weg. 7. De plaatsen rondom het Hercynische 
woud zijn de vruchtbaarste van Duitschland. 8. Verres roofde een zeer 
groote menigte (vis) Corinthische vazen uit (abl. zonder praep.) Syracuse. 

III. Genetivus. 

§§ 403 — 419 * 

a* Genetivus bij substantiva* §§ 403 — 410* 

53. 

1 f 2, 3* Genetivus subiectivus en obiectivus. 

Genetivus possessivus. 

§§ 403 , 405 * 

1. Magna fuit quondam capitis reverentia cani. 2. Turpis fuga mortis 
omni est morte peior. 3. Fortissimi nostri milites sine ullo mortis metu 
ad bellum profecti sunt. 4. Ego quod facio, amicitiae huius viri gratia 
facio. 5. Magnum illius odium in me vobis ignotum est? 6. Caesaris 
amore et beneficiis unice delector. 

1. Er is niemand, die meent ( arbitrari ), dat er (nog) eenige hoop op 
behoud over (reliquus) is. 2. Dezen man noem ik, zooals zijn waardigheid 
eischt, met achting. 3. Een goed consul verwaarloost niet het welzijn 
der burgers uit (vert . : wegens) vrees voor een of ander gevaar. 4. Ik wil 
niet, dat gij tegen uw zin om mijnentwil iets (quicquam) doet. 5. Dat 
de menschen nog aan mij denken (vert . : De herinnering der menschen 
aan mij), is mij zeer aangenaam. 6. Geheel Italië ontbrandde in (abl. 
zonder praep.) verlangen naar de vrijheid. 7. Blijdschap over de over- 
winning vervulde de gemoederen van alle burgers. 8. Dit huis is niet 
van u, maar van mij. 

54. 

4 , 5* Genetivus partitivus en qualitatis. 

§§ 406 — 410 * 

1. Amicus meus adulescens mortuus est; uxori grande pondus argenti 
matrique partem maiorem bonorum legavit. 2. Potest exercitatio et 
temperantia etiam in senectute conservare aliquid pristini roboris. 3. Tu 
in hac re plus mihi animi quam consilii videris habuisse. 4. Res 


•35 


maximae spei maximaeque utilitatis tua iracundia impedita est. 5. Caesar 
Dumnorigem Aeduum secum habere in primis constituerat, quod eum 
magnae inter Gallos auctoritatis cognoverat. 6. Galli existimabantRomanos 
non sine ope divina bellum gerere, qui (daar zij) tantae altitudinis machi- 
nationes tanta celeritate promovere possent. 

1. Hoe meer kracht (plur.), des te minder duur (vert. : tijd) hebben 
de orkanen. 2. Naardien er in het geheel geen nieuws in de zaak was, 
heeft hij iets nieuws verzonnen. 3. Uw vader was een man van grooten 
moed, van zeer veel (summus) werkkracht, en van uitnemend (optimus) 
beleid. 4. Wat hij aan soldaten en schepen had, stelde hij ter beschikking 
van (vert. : gaf hij over aan) den opperbevelhebber. 5. Conon gaf aan 
zijn medeburgers vijftig talenten gelds. 6. Die lofrede zal veel (multo) 
meer kwaad dan goed veroorzaken (vert. : aanbrengen). 7. Het is onge- 
loofelijk, hoe veel hij (ille) in (abl. zonder praep.) weinige dagen verkwist 
heeft: er was een zeer groote hoeveelheid wijn, een massa (vert. : zeer 
groot gewicht) zilver, veel huisraad: daarvan was in weinig dagen niets 
(meer over). 8. Hoeveel gezag, hoeveel invloed hebben zijn woorden 
(oratio) (niet) altijd gehad! 9. Hij heeft niets anders gezegd. 10. Er is niets 
wreeds in dezen man. 


b. Genetivus bij adiectiva. §§ 410 en 41 1. 

55. 

§ 410. 

1. Conscia mens recti famae mendacia ridet. 2. Omnes immemorem 
beneficii oderunt. 3. Si tuae mentis compos fuisses, custodiam provinciae 
populi senatusque iniussu non dimisisses. 4. Alexander plenus pulveris 
ac sudoris in Cydnum flumen se proiecit. 5. Venturae memores iam 
nunc estote senectae. 6 . Epaminondas studiosus erat audiendi: ex hoe 
enim facillime disci arbitrabatur. 

1. Menschen, onbekend met de waarheid, meenden, dat Caesar ver- 
toornd was op mij. 2. Hoe wijs gij ook zijt, zult gij (toch) niet ontkennen, 
dat gij begeerig zijt naar roem. 3. Themistocles heeft de Atheners zeer 
bedreven gemaakt in den oorlog ter zee. 4. Een rechter moet een wijs 
man zijn en in vele zaken kundig. 5. De haven van Gaëta, overvol 
(superl.) met schepen, werd onder de oogen van (door inspectare , abl. 
abs.) den praetor door de roovers geplunderd. 6. De senaat en het 
Romeinsche volk zijn gedachtig geweest aan uw weldaden jegens den 
staat. 7. De deelnemers aan de samenzwering van Catilina waren grooten- 
deels mannen van aanzienlijke geboorte. 8. M. Antonius was een man, 
verstoken van alle beschaving en onbekend met (de eischen van) een 
fatsoenlijke levenswijze. 


36 


56. 

Vervolg en § 411* 

1. Athenis (te A.) in theatro imperiti homines, rerum omnium ru'des 
ignarique, consederant. 2. Milites insueti operum cotidianis laboribus 
utebantur valetudine non bona. 3. Homo solus ex tot animantium gene- 
ribus est particeps rationis et cogitationis, cum cetera sint omnia expertia. 
4. Referta Gallia negotiatorum est, plena civium Romanorum; nemo 
Gallorum sine cive Romano quiequam negotii gerit. 5. Quis ignorat 
populum Romanum gloriae appetentem semper fuisse? 6. L. Quinctii 
Cincinnati dictatoris iussu magister equitum C. Servilius Ahala Sp. 
Maelium regnum appetentem interemit anno trecentesimo quinto de- 
cimo a. u. c. 

1. Alle goede en vaderlandslievende burgers hebben de wapenen 
opgevat. 2. Zij waren deelgenooten van al mijn moeiten en tegenspoeden. 

3. Het schijnt een roeier te zijn of een sjouwerman, arm aan beschaving. 

4. Ten tijde van Pompeius was de zee vol (zee)roovers. 5. Dumnorix 
verzocht [van] Caesar, dat hij in Gallië mocht blijven (pass. van relinquere ), 
omdat (quod) hij, ongewoon te varen, bang was voor de zee. 6. Aemilius 
Scaurus, een aanzienlijk man, was begeerig naar macht, eer en rijkdom, 
maar (iemand, die) overigens zijn ondeugden geslepen verborgen hield 
(partic.). 7. Catilina had ( esse met dat.) een lichaam, dat vasten, koude 
en waken verdragen kon (partic. van pati ), meer (supra) dan voor 
iemand (quisquam) geloofelijk is. 8. De natuur der menschen heeft dit 
eigenaardige, dat zij de eenzaamheid ontvlucht, gemeenschap en gezel- 
schap zoekt (vert . : de natuur der menschen is vluchtende, is strevende 
naar . . .). 

c* Genetivus bij verba* §§ 412 — 419* 

57. 

1, 2* Genetivus possessivus en obiectivus. 

§§ 412—415* 

1. Petulantia magis est adulescentium quam senum. 2. Non sentire 
mala sua non est hominis, non ferre non est viri. 3. Cuiusvis hominis 
est errare, nullius nisi insipientis in errore perseverare. 4. Est hoe Gal- 
licae consuetudinis, ut viatores etiam invitos consistere cogant et, quid 
quisque eorum de quaque re audierit (§ 241, 3), quaerant. 5. Memini, 
memini, o amice, neque umquam obliviscar noctis illius, cum tibi pol- 
licebar, me, si essem in patriam restitutus, tibi gratias (esse) relaturum. 
6. Adulescentes caveant intemperantiam, meminerint verecundiae. 7. Au- 
dite, iudices, et aliquando miseremini sociorum. 8. Principes Galliae 
miserantur communem Galliae fortunam. 

1. Vergeet mijn heil en denkt aan u en aan deze kinderen (vert.: 
vergetende (§ 595) mijn heil weest gedachtig). 2. Vergeet, Catilina, 


37 


moord (plur.) en brandstichting (plur.) : gij zit aan alle kanten vast, klaarder 
dan het (dag)licht zijn voor ons al uwe plannen. 3. Ik zeg, dat het de 
plicht is van een goed senator, altijd naar (in) den senaat te gaan. 4. Hebt 
medelijden met het huisgezin, rechters, hebt medelijden met den vader, 
hebt medelijden met den zoon. 5. Het is de taak van een dankbaar volk, 
burgers (die zich) verdienstelijk (gemaakt hebben) jegens den staat, te 
beloonen. 6. Ik kan niet genoeg het lot van dezen ongelukkigen man 
bejammeren. 7. Het verraadt een goed hart, onrecht te vergeten, weldaden 
zich te herinneren. 8. Het getuigt van goed (vert.: groot) beleid, te 
verhoeden, dat ( ne ) iets kwaad geschiede, (maar) van niet minder moed, 
het dapper te dragen, zoo het geschied is. 

58. 

3, 4 ♦ Genetivus definitivus en pretii. 

§§ 415—419* 

1. Militiades proditionis est accusatus, quod, cum Parum expugnare 
posset, a rege Persarum corruptus infectis rebus discessisset. 2. Non licebat 
Romae quemquam esse, qui rei capitalis condemnatus esset. 3. Nondum 
te summae neglegentiae convictum esse confiteberis? 4. Unum te pluris 
quam omnes illos puto. 5. Parvi sunt foris arma, nisi est consilium 
domi. 6. Mea mihi conscientia pluris est quam omnium sermo. 7. Quanti 
hic vir a civibus suis fiat, tu ignoras? 8. Quid illius intererat? 9. Ego 
mea maxime interesse puto. 10. Quis est hodie, cuius intersit istam legem 
manere? 11. Non adscripsi id, quod neque tua neque patris tui referebat. 
12. Quid respondent aveo scire, nee tarnen flocci facio. 

1. Themistocles is in zijn afwezigheid (§ 597) wegens verraad ver- 
oordeeld. 2. Caesar placht van Brutus te zeggen: ,,het komt er zeer op 
aan, wat deze wil: wat hij ook wil, dat wil hij beslist (valde)” 3. Pau- 
sanias, van een halsmisdaad beschuldigd, wordt (hiervan) vrijgesproken, 
(maar) toch met een geldboete gestraft. 4. Er is voor het algemeen 
belang (salus) veel aan gelegen, dat er den eersten Januari (abl. zonder 
praep.) twee consuls in den staat zijn. 5. Hij, die afgewezen was, 
beschuldigde zijn mededinger, (die als consul) aangewezen (was), van 
omkooping. 6 . Indien gij gemeend hadt , dat gij er eenig belang bij hadt, 
zoudt gij anders gehandeld hebben. 7. Het graan was niet zoo duur 
als hij het schatte. 8. In twijfelachtige zaken is moed ( audacia ) zeer veel 
waard. 9. Datames laadde de afgunst der hovelingen op zich, omdat zij 
zagen, dat hij alleen hooger geschat werd ( facere ) dan zij (se) allen. 

10. Ziet (eens), rechters, hoe hoog Verres de wetten geschat heeft\ 

11. Het is in uw aller belang, ook in dat van den staat, goed te 
handelen. 12. Het zal in beider belang zijn, te weten, wat de plicht van 
een goed rechter is. 


38 


AANHANGSEL I. 

Substantiva en adiectiva anomala* §§ 127 — 139* 

A* Abundantia. 2* Adiectiva . § 128, 2* 

59. 

1. Deze ivoren Victoria is met de hoogste kunst uitgevoerd. 2. Zorg, 
dat gij u aller hulp toevoegt, ook der geringsten. 3. Met een vroolijk 
gezicht riep hij mij. 4. Nooit heeft hij zich ongewapend aan zijn vijanden 
durven toevertrouwen. 5. Zooals gij nu over uw voorouders spreekt, 
zoo zullen uw nakomelingen over u spreken. 6. Op de hulptroepen 
vertrouwde Crassus niet veel voor {ad) den strijd. 7. Slavernij is de ergste 
{vert . : laatste) van alle rampen. 8. Het onderste (comparat.) gedeelte 
der palen bleef ongeschonden. 9. Soera tes heeft op den laatsten dag zijns 
levens uitvoerig gesproken over de onsterfelijkheid der ziel. 10. Van het 
hoofd tot de voeten is hij een en al bedrog {vert.: van het onderste tot 
het hoogste bestaat hij geheel uit bedrog). 

B* Defect i va. §§ 129 — 138* 

60. 

§§ 129, 130* 

1. De vluchtende dief verborg zich in de schaduw {vert . : het duister) 
van een trap. 2. De verordeningen van Caesar zijn ter wille van den 
vrede door den senaat bekrachtigd. 3. Sulla heeft als overwinnaar be- 
volen, dat de overblijfselen van C. Marius, die bij den Anio rustten 
(door situs), zouden verstrooid worden. 4. Het leger wordt geprezen, 
omdat het voor de vrijheid van het Romeinsche volk de wapenen heeft 
opgevat. 5. Op bevel van Verres is een Romeinsch burger {vert.: van een 
R. burger) in den kerker de nek gebroken. 6. Velen hadden door middel 
van Pompeius eerambten en rijkdom ontvangen. 7. Waarom was hij zelf 
niet tegenwoordig? Hij is door een maaltijd teruggehouden. 8. ’s Nachts 
hielden gewapende mannen de wacht bij de deur van den tempel. 9. Aan 
de góden des hemels, aan de geesten der afgestorvenen en aan de góden 
van het huis plachten onze voorvaderen dank te brengen. 10. Op den 
eersten December zal de bruiloft plaats hebben. 

61. 

1. Groote menschen vermaken zich somtijds met beuzelingen. 2. Ik 
zag rond (perf.), waarheen ik ging ( J progredi ), wat aan de rechterhand, 
wat aan de linkerhand was: (zoo) ontkwam ik aan de hinderlaag. 3. Zijt 
gij van plan zoo groote vijandschap van zooveel menschen op u te laden? 
4. Wij gelooven, dat hij in de onderwereld de straffen der goddeloozen 


39 


ondergaat. 5. De legerplaats van Catilina was in de bergengten van 
Etrurië opgeslagen. 6. Caesar verbeterde den kalender, (die) reeds 
voorlang door de schuld (vitium) der priesters in verwarring geraakt 
(was). 7. Geestig heeft Varro gezegd: „Een wapenstilstand is de vacantie 
van een oorlog”. 8. Geen geweld, geen bedreiging heeft uw vader doen 
wankelen. 9. De roedenbundel was het teeken van het hoogste gezag. 
10. De Alpen zijn een wal (ter bescherming) van Italië. 

IV. Ablativus. 

§§ 419—460. 

a. Eigenlijke ablativus. §§ 420 — 436. 

62. 

L Ablativus separativus. 

§§ 420—422. 

1. Zij hebben mij met (per) geweld uit mijn huis verdreven. 2. Dema- 
ratus was uit Corinthe naar Tarquinii, een stad van Etrurië, gevlucht. 
3. Gij vraagt, of (-ne) hij reeds van het land teruggekeerd is? Morgen 
zal hij terugkeeren. 4. Hij had een brief van huis meegebracht. 5. Toen 
hij uit Rome vertrok, liet hij zijn vader stervende achter. 6. Uit zijn 
eigen rijk vluchtte Mithridates zóó, als eens Medea uit hetzelfde Pontus. 
7. Caesar sneed de Galliërs allen aanvoer van levensmiddelen af. 8. Wien 
is het onbekend, dat Verres als stadhouder van Sicilië zijn handen niet 
heeft kunnen afhouden van het geld en de kostbaarheden der eiland- 
bewoners? 9. Een vriend schreef aan Cicero, toen het volk hem ver- 
bannen had: „Het staat vast, dat gij niet lang buiten Italië gehouden 
kunt worden.” 10. Na een langdurige ziekte is zij, achttien jaar oud, 
[uit het leven] heengegaan. 11. Verdwijn (vert.: ga) eindelijk eens uit 
de stad, Catilina; de poorten staan open: vertrek; gij zult ons (dan) van 
groote vrees bevrijden. 

63. 

2. Ablativus copiae en inopiae. 

§§ 422—425. 

1. De zoon van Sopater is door Verres van zijn geheel (vert.: zeer) 
onschuldigen vader en van al het geld zijns vaders beroofd. 2. Ik heb 
zulk een vriend verloren (vert . : ben beroofd van), als ik nooit (meer) 
hebben zal. 3. Het leger had overvloed van wapenen en graan. 4. De burgers 
hebben verklaard, dat zij mij alleen niet missen kunnen. 5. Wanneer 
zullen wij vrij zijn van alle zorg en angst? 6. Hannibal zag, dat de 
wallen van Saguntum van verdedigers ontbloot waren. 7. Deze wijze 
(ratio) van handelen achtten zij niet in overeenstemming met de waar- 
digheid van het consulaat. 8. Uw gezag, uw beleid en ook uw gunst 

WOLTJER en VAN bleek, Lat. Oef . II. * 4 


40 


zullen wij noodig hebben. 9. Ik heb niet veel boeken noodig, maar 
goede. 10. Themistocles vond steeds snel, wat noodig was. 11. Verres 
beweerde, dat hij veel noodig had, veel (ook) zijn honden. 12. Werk- 
zame menschen hebben ontspanning van geest eu lichaam noodig. 
13. Acht gij het niet noodig, dat hij hierover uitvoerig en in duidelijke 
bewoordingen spreekt? 14. Wat hadt gijlieden noodig? Mijn geld of ( an ) 
mijn hulp? 15. De veldheer zeide, dat hij, wanneer het noodig was , het 
teeken tot (genet.) den strijd zou geven. 

64. 

3, 4, 5 ♦ Ablativus originis, rei efficientis, causae. 

§§ 425 — 428 . 

1. De dichter Archias was in de stad Antiochië uit aanzienlijken stand 
geboren. 2. De god Liber, uit Semela gesproten, wordt ook Bacchus 
genoemd. 3. Uit een slechten vader wordt soms (wel) een rechtschapen 
zoon geboren. 4. Uit dit eene gebrek zijn alle overige voortgekomen 
(. nasci ). 5. Overweeg, uit wie gij zijt gesproten (orirï). 6. Apollo gaf de 
godspraak, dat Sparta door niets anders (vert.: door geen andere zaak) 
zou te gronde gaan dan ( nisi ) door hebzucht. 7. Vele menschen worden 
door een ontij digen dood weggerukt. 8. De Romeinen geloofden, dat 
den menschen door de góden de toekomst (neutr. plur.) werd te kennen 
gegeven. 9. Gij ziet, dat ik dit door (den) nood [zaak] gedwongen gedaan 
heb. 10. Hij heeft dit niet uit trotschheid gedaan, maar uit onbeleefdheid. 
1 1 . De Helvetiërs beroemden zich op onbeschaamde wijze op hun over- 
winning. 12. Wie zal zich verheugen over de ellende van ongelukkige 
(mede)menschen? 13. Die zaak hebt gij uit eigen beweging beproefd, 
niet op ons aansporen. 14. Het is niet te zeggen (vert.: het kan niet 
gezegd worden), hoe ik brand van verlangen naar buiten (vert.: het land). 
15. De soldaten waren vermoeid door den langen marsch en door de 
vele gevechten. 


65. 

6. Ablativus limitationis of respectus. 

§ 428 . 

1. Hannibal was aan één oog blind. 2. Oerossen staan (vert.: zijn) in 
grootte een weinig (paulo) beneden olifanten. 3. Die mannen zijn niet 
zoo barbaarsch van taal en volksaard, als gij, Verres, van aard en zeden. 

4. Van (ex) deze broeders is de jongste (vert.: kleinste) in jaren, wat 
aanleg en nauwgezetheid betreft, de gelijke van zijn oudere broeders. 

5. Caesar leert (ons), in welk opzicht (vert. : zaak) Galliërs en Germanen 
onder elkaar verschillen. 6. Niemand kon met Caesar vergeleken worden 
in snelheid van handelen (conficere). 7. Hij wil niet bekennen, dat hij 
alles naar eigen voordeel afweegt. 8. Wil de menschen niet beoordeelen 


41 


naar hun woorden, maar naar hun daden. 9. Wanneer (door partic.) gij 
alles afmeet naar het genot, kunt gij niet gelukkig zijn. 10. De burgers 
van denzelfden staat verschillen meestal van aard, maar komen overeen 
in taal en zeden. 11. Bij de Germanen spreekt hij het eerst (vert.: begint 
te spreken), die in leeftijd en ondervinding voorgaat. 12. Epicurus be- 
paalt, wat kwaad is (vert.: alle kwaad) naar de smart, al wat goed is, 
naar het genot. 

66 . 

7, 8* Ablativus mensurae en comparativus. 

§§ 429 — 433 * 

1. Hoe meer de Parthen gedronken hebben, des te meer dorst hebben 
zij. 2. Voor een goed burger is het vaderland veel dierbaarder dan het 
leven. 3. Hoe meer (vert.: grooter) geld, des te minder geluk. 4. Gij 
weet, dat ik kort na die verdediging consul ben geworden. 5. Vele maanden 
te voren had hij reeds gezegd, dat hij die misdaad verhinderen zóu. 

6. Niet lang na mijn vertrek hebt gij mij gezamenlijk teruggeroepen. 

7. Drie dagen te voren was Caesar vermoord. 8. De veldheer achtte het 
leven van zijn soldaten meer waard (carus) dan zijn eigen welzijn. 
9. Gaius alleen prijs ik, die in de geheele klasse de nauwgezetste van 
allen is (vert.: nauwgezetter dan wie niemand . . .). 10. Laelius hield 
een gesprek over de vriendschap, weinige dagen na den dood van Scipio, 
zijn besten vriend. 11. Demosthenes, de grootste redenaar, dien de 
Grieken gehad hebben (vert. : grooter redenaar dan wien de Gr. niet 
gehad hebben), leefde vele jaren na den Peloponnesischen oorlog. 

12. Niets is mij ooit langer voorgekomen (videri) dan deze eerste Januari. 

13. Kort te voren had hij den staat van de grootste gevaren bevrijd. 

14. Zeg vrij uw meening: ik zal u (daarom) geen haar minder liefhebben. 

15. In kunstvaardigheid overtreft Phidias, de grootste kunstenaar die 
ooit in Griekenland geleefd heeft, al zijn tijdgenooten. 

67. 

Praeposities bij den eigenlijken Ablativus. 
ab , de, ex. 

§§ 433 — 436 * 

1. Burgers, beschermt den staat tegen deze dreigende (vert. : boven 
het hoofd hangende) gevaren. 2. Van alle mannen, die aan dat gevecht 
deelnamen, is er slechts één gespaard (vert.: ongedeerd) gebleven. 3. Zeer 
vele Romeinen zijn van soldaat (plur.) landbouwer (plur.) geworden. 
4. Wie gelooft niet, dat alle goedgezinden (vert.: goeden) in deze zaak 
aan mijn zijde gestaan hebben? 5. Van voren, van achteren, aan de Imker- 
en aan de rechterhand, kortom aan alle kanten viel de vijand ons aan. 


42 


6. Nooit is hiervan in den senaat melding gemaakt; integendeel, van alle 
senatoren zult gij hooren, dat zij erover gezwegen hebben. 7. De gevangene 
verklaarde, dat hij een brief en bevelen (vert. : opdrachten) van Lentulus 
[afkomstig] voor Catilina bestemd (ad) bij zich had. 8. De ruiterij, te 
middernacht (uit)gezonden, haalt de achterhoede der vijanden kort na 
den middag in. 9. Wij weten niet, wat wij met hem doen (moeten). 
10. Over dezelfde zaak heb ik verscheidene brieven van mijn vrienden 
ontvangen. 11. Standbeelden worden meestal van marmer of van metaal 
gemaakt. 12. De wijsgeeren beweren, dat zij, die goed en gelukkig willen 
leven, naar hun (ipse) voorschriften leven moeten (gerundiv.). 13. 'Om 
vele redenen meende Caesar, dat hij een brug moest (laten) slaan over 
den Rijn en deze rivier met al zijn troepen moest over trekken. 14. De 
aanvoerders der beide legers hielden te paard een bespreking (met elkander). 
15. Hoeveel vruchten hangen er aan dezen boom? 16. Onverwachts 
is hij van schatrijk doodarm geworden. 17. Sedert ik de werken (vert.: 
boeken) van Plato gelezen heb, van dien tijd af beschouw ik hem als 
den grootsten wijsgeer der Grieken. 18. Handelt (-ne) een consul altijd 
krachtens een senaatsbesluit? 


AANHANGSEL I. 

I 

Substantiva en adiectiva anomala* §§ 127 — 139* 

B* Defectiva. §§ 129—138* 

68 . 

§ 131* 

1. Cicero schrijft aan zijn vriend Atticus: „Daar (qaoniam) gij van 
plan waart heden het park te bezichtigen, schrijf mij (dan) morgen, wat 
u (ervan) dunkt (perf. v. videri )”. 2. Dikwijls gaan zieke menschen met 
(abl. zonder praep.) ijdele hoop naar een badplaats. 3. Ik verwonder mij, 
dat gij zoo iets (vert.: iets zoodanigs) doen kunt, gij een man met een 
klein vermogen [voorzien]. 4. In zijn eigen huis ( aedes ), voor de oogen 
van vrouw en kinderen is hij vermoord. 5. Hebt gij gehoord, dat te 
Athene uit den tempel van de godin Athene een groote hoeveelheid 
goud gestolen is? 6. Met deze gelegenheid ter verdediging (genet, obiect.) 
zult gij (wel) niet tevreden zijn. 7. Zij hebben mij zelfs niet dank gezegd 
voor (pro) mijn verdiensten jegens den staat. 8. De volksvergaderingen 
der Romeinen werden oudtijds op de daarvoor bestemde plaats gehouden, 
later meestal op het Marsveld. 9. Het hoofd van den vermoorden Cicero 
is op bevel van Antonius afgehouwen en geplaatst op (in met abl.) dat 


43 


zelfde spreekgestoelte, vanwaar hij zoo vaak een redevoering tot het 
volk gehouden had. 10. Caesar liet ter bescherming van (dat.) de brug 
en de legerplaats zes cohorten achter en al de bagage. 11. Wie zal in 
dit proces de rol van aanklager vervullen (obtinêre)? 12. Een goed 
redenaar moet de beschikking hebben over (vert. : heeft noodig) een 
grooten woordenschat (vert.: hoeveelheid woorden). 13. Een oorlogsschip 
der Romeinen was voorzien van een met ijzer beslagen sneb, om de 
schepen der vijanden in den grond te boren. 14. De tijdsomstandigheden 
zijn hem niet gunstig (vert.: tot een hindernis) geweest. 15. Hun invloed 
was grooter dan hun vermogen. 

69. 

§§ 132—138. 

1. Niemand zal loochenen, dat Thebe én vóór de geboorte van Epa- 
minondas én na diens dood voortdurend aan [de heerschappij van] 
anderen gehoorzaamd heeft. 2. Voor den vorm beval Verres eenig klein 
geld te geven aan hen, wier kostbaarheden hij geroofd had. 3. Hierover 
klaag ik, dit betreur ik, dat deze man door eigen toedoen te gronde 
gegaan is. 4. Cicero zeide: ,,Ik acht het niet verkeerd (vert.: onrecht), 
zooals de meesten, de Gracchen te loven.” 5. Die eene dag is voor mij 
zoo goed als de onsterfelijkheid geweest. 6. Koop (coni. praes.) slechts, 
wat noodzakelijk is. 7. Caesar beval, dat de legioenen, die hij had mee- 
gebracht, op hun beurt zouden rusten. 8. Deze goddelooze man heeft 
als quaestor goddelijk en menschelijk recht geschonden. 9. Zij geloofden 
niet, dat wij dit uit eigen beweging doen zouden. 10. Het zelfvertrouwen 
van de meeste menschen is grooter dan hun vermogen om iets tot stand 
te brengen. 1 1 . Deze woorden hebben uw innigste gedachten geopenbaard. 
12. De naaste weg naar het [meer] aan gene zijde (der Alpen) gelegen 
Galliëwas door de Alpen. 13. De binnenwanden van den tempel waren 
met schilderijen behangen (vert.: bekleed). 14. Het hemd is nader dan de 
rok. 15. De verst verwijderde volken sidderden voor den naam van het 
Romeinsche volk. 

C* I ndeclinabilia. § 138. 

70. 

1. Nooit hadden wij gehoord, dat hij zulk een nietswaardig en licht- 
zinnig man was. 2. Een rechtschapen man, rechters, rechtschapen, zeg 
ik, bezonnen en vol dienstvaardigheid ziet gij in uw macht gesteld. 
3. Hij zeide copia in plaats van copiae. 4. Den dood achtten Romeinsche 
burgers steeds te verkiezen boven (vert.: verkieslijker dan) de slavernij. 
5. Hiertoe is niemand meer geschikt dan gij. 6. De dood staat een oud 
man gewoonlijk eerder te wachten dan een jong man (vert.: pleegt nader 
te zijn aan een ouderen dan aan een jongeren man). 7. Het binnenland 


44 


van Britannië (vert.: Het meer naar binnen (gelegen) deel van B.) wordt 
bewoond door hen, die, naar men zegt, op het eiland geboren zijn (vert.: 
die zij zeggen geboren te zijn). 8. Na zijn leger teruggevoerd te hebben, 
heeft Caesar het gedeelte van de brug, dat het dichtst was bij den oever 
der Ubiërs, laten afbreken. 9. Door uw schuld staat onze zaak er 
minder goed voor (vert.: is minder geworden). 10. Voor een goed burger 
is niets verkieslijker dan het vaderland. 1 1 . Het leven van brave menschen 
zal anderen tot voorbeeld zijn. 12. De oudste geschreven wetten van het 
Romeinsche volk waren de wetten der twaalf tafelen. 13. Hij, die het 
meest zijn plicht betracht, zal steeds het hoogst geacht worden. 14. De 
waarheid is sneller dan de leugen. 14. Wie van beiden was er het eerst? 

b* Ablativus localis* §§ 436 — 451* 

71. 

L Locativus. §§ 436 — 438* 

1. De Grieksche letteren had hij te Lilybaeum, niet te Athene, de 
Latijnsche op Sicilië, niet te Rome geleerd. 2. Te Carthago werden 
jaarlijks [telkens] twee koningen voor één jaar gekozen. 3. Cicero en 
Marius zijn geboren te Arpinum, een stad van Latium. 4. Ik herinner 
mij den droom van dien man, wiens vriend te Megara door een kroeg- 
houder vermoord was. 5. Nooit zou het orakel te Delphi zoo druk- 
bezocht en beroemd geweest zijn, indien niet alle tijden (aetas) de juistheid 
(vert. : waarheid) der orakels hadden leeren kennen. 6. Wie weet niet, welke 
god op Delos geboren is? 7. Marius is in zijn eigen huis hoogbejaard ge- 
storven. 8. Toen Cicero’s leermeester Diodotus blind geworden was, heeft 
hij vele jaren ten huize van zijn leerling geleefd. 9. Hij beval zijn zoon op 
het land te (gaan) wonen. 10. De oorlog zal te land en ter zee worden 
gevoerd. 11. Waarom ligt gij achterover op den grond? 12. In oorlogs- 
en in vredestijd is de voortreffelijkheid (vert. : deugd) der Romeinen 
altijd zeer groot geweest. 13. Deze man heeft altijd op het land gewoond 
en zich bezig gehouden (vert.: geleefd) met (in) het bebouwen van zijn 
akkers. 14. Aan Pompeius zijn zeer vele, zeer groote, en zeer gevaarlijke 
oorlogen ter zee en te land toevertrouwd. 15. Overal is hij geweest, te 
Corinthe, te Thebe, op Euboea, op Paros, te Napels en te Babylon. 

2* Ablativus localis. §§ 438 — 451* 

72. 

1* Ablativus loei. §§ 438 — 444* 

1 . Zal ik den senaat op deze plaats niet verdedigen? Ik ben verschuldigd 
(dat te doen) op iedere plaats. 2. Onze soldaten hebben met de ruiterij 
der vijanden slag geleverd op een ongunstig terrein (locus). 3. Hij rilde 
over zijn geheele lichaam. 4. Op heel Sicilië was de vereering van Ceres 


45 


zeer groot. 5. Door Pompeius zijn de zeeroovers, die over de heele zee 
verspreid kruisten, allen in de macht der Romeinen gebracht. 6. Caesar 
herinnerde zich (nog wel) ( vert . : had in zijn geheugen), dat oudtijds een 
Romeinsch consul door de Helvetiërs vermoord was. 7. De Belgen, door 
Caesar verslagen, verborgen zich in de bosschen. 8. Gisteren reed de 
consul met zijn echtgenoote in een reiswagen; achter den wagen reed 
zijn zoon te paard. 9. Wie zou niet een ellendige, door honger en dorst 
gekweld, in zijn huis opnemen? 10. Xerxes was noch met zijn ruiterij, 
noch met zijn voetvolk, noch met het aantal zijner schepen tevreden. 
11. De veldheer zal zich niet kunnen verlaten op de dapperheid van 
zijn hulptroepen. 12. Hoeveel Romeinsche legers zijn (niet) langs de via 
Appia gemarcheerd! 13. De vijanden, in den strijd overwonnen, zonden 
gezanten (om) over den vrede (te spreken). 14. Door welke poort zijt 
gij de stad binnengekomen? 15. Vertrouwend op zijn getuigen is hij tot 
de aanklacht overgegaan ( descendere ad). 

73. 

2 ♦ Ablativus temporis . § 444* 

1. Bij het aanbreken van den dag had een uitval plaats door twee 
poorten aan weerszijden van de torens. 2. Xerxes is in dertig dagen 
naar Azië teruggekeerd langs denzelfden weg, waarlangs hij tevoren in 
zes maanden gemarcheerd was. 3. Ten tijde der Scipionen was de 
invloed van den senaat (nog) zeer groot. 4. Binnen enkele dagen zal ik 
u bezoeken. 5. In den Gallischen oorlog was behalve het Capitool en 
de burcht alles (in de macht) der vijanden. 6. De censoren zelf bleven 
niet steeds bij de beslissingen der vorige censoren. 7. Wij steunen meer 
op onze dapperheid, dan op list en hinderlagen. 8. Caesar beveelt, dat 
de muildierdrijvers met helmen (op) over de heuvels (moeten) omrijden. 
9. De vijand is niet bij den Anio, hetwelk in den Punischen oorlog zeer 
ernstig scheen, maar in de stad, op de markt. 10. Eén legioen zond hij 
over denzelfden bergrug en verborg het in de bosschen. 11. -Toen Cato 
leefde, waren tezelfder tijd veel jongere redenaars in hun volle kracht 
( florëre ). 12. De vijanden vertrouwden op de natuurlijke gesteldheid) 
van het terrein, de onzen op het aantal soldaten. 13. In den herfst worden 
appels en peren rijp. 14. Drie dagen nadat dit gebeurd was, stierf hij 
plotseling. 15. Tweemaal per dag was hij gewoon te middagmalen. 

Praeposities bij den ablativus localis. 

74. 

In bij pono, loco enz* § 445* 

1. Ariovistus, de koning der Germanen, had zich gevestigd in het 
gebied der Sequaners, en had het derde deel van hun gebied, dat het 
beste was van geheel Gallië, bezet. 2. Hun kinderen, hun vrouwen en 


46 


al hun have ( vert .: al het hunne, neutr. plur.) hadden zij in de bosschen 
in veiligheid gebracht. 3. Te Rome werden wetten, in metaal gegraveerd, 
op het Capitool vastgehecht. 4. Rome is op bergen en in dalen gebouwd 
(ponere). 5. Phidias beitelde een op hem gelijkend portret op het 
schild van de godin Athene, omdat hij zijn naam daarop niet schrijven 
mocht. 6. In was plegen zegels met een ring te worden ingedrukt. 
7. Philosophen schrijven hun namen juist (door ipse) op die boeken, 
die zij schrijven over het verachten van den roem. 8. Op het voorhoofd 
van een ieder sta (vert. : zij) geschreven, wat hij denkt (sentire) van den 
staat. 9. Waarom snijdt gij uw naam in dezen boom? 10. De kortheid 
van uw brieven maakt, dat ook ik korter ga schrijven (vert. : maakt ook 
mij korter in het schrijven). 11. Bij het dingen (naar een ambt) is groote 
inspanning en plichtsbetrachting noodig. 12. Bij het besturen van 
deze provincie heeft hij rechtvaardigheid en zelfbeheersching aan den 
dag gelegd (exponeré). 13. Waar het uw eigen kinderen geldt, moet gij 
gestrengheid toepassen (utï). 14. Het geheele volk was onder de wapenen. 
15. Hij zal een brug over de rivier slaan. 16. Ik heb u onderweg niet 
gezien. 17. De veldheer ging op den heuvel staan. 18. Ik kan dat, waar het 
u betreft, niet afkeuren, wat ik, toen het mij zelf gold, heb goedgevonden. 

75. 

in, sub , super, pro, prae , prociil , te mis. 

§§ 446— 45 h 

1. Uw neef heeft mij tegen den volgenden dag ten eten gevraagd. 
2. Indien gij streng zijt, waarom zijt gij (het dan) niet tegen allen? 3. Tegen 
den avond beval Caesar de poorten te sluiten. 4. Ik begrijp niet, waarom 
deze tiran tegen hen, die hij nooit gezien heeft, zoo wreed is. 5. Wij 
kunnen jegens u nooit dankbaar genoeg zijn. 6. Waarom wilt gij zijn 
woorden niet in goeden zin opvatten? 7. Deel dezen appel in drie stukken 
en verdeel (ze) onder die kinderen. 8. Miltiades wilde de bewoners 
van het eiland Paros onder de macht der Atheners brengen. 9. Aan 
den voet van den heuvel stond het leger in slagorde [opgesteld]. 
10. Mijn moeder kon van droefheid niet spreken. 11. In vergelijking 
met ons is hij een gelukkig man. 12. Een dwaas loopt met zijn domheid 
te koop (vert.: draagt voor zich uit). 13. Eervol is het voor het vader- 
land te strijden en te sterven. 14. Genoeg hiervan (vert. : deze dingen tot 
hier toe); ik zal (er) niet meer (neutr. plur.) (van) zeggen. 15. Hoe ver 
is hij van iedere verdenking! 16. De senaat heeft dezen burgers dank 
betuigd voor hun [zoo] groote verdiensten jegens den staat. 17. Gelet op 
de grootte van het gevaar bezweer ik u: „komt mij te hulp”. 18. Vóór 
de legerplaats der vijanden stelde de veldheer zijn troepen op. 19. Hannibal 
(staat) vóór de poorten! 20. Onmiddellijk na deze woorden stond hij 
op en ging heen. 


47 


c* Ablativus instrumentalis* §§ 451—460* 

76 . 

1* Ablativus instrumentalis in engeren zin. §§ 451—455* 

1. De menschen worden gevangen door het zingenot, als de visschen 
door den haak. 2 . De stieren verdedigen zich met hun horens, de wilde 
zwijnen met hun tanden, de leeuwen door te bijten (yert . : met hun beet). 
3. De wetten van Lycurgus ontwikkelden de jeugd door moeiten en 
inspanning, door jagen, door Ioopen, door het lijden van honger en 
dorst, van koude en hitte. 4. De bewakers en bestuurders van den staat 
behooren met waardigheid bekleed te zijn. 5 . De menschen vermaken 
zich met veel ijdele dingen, met eer en roem, met kleeding en opschik 
van het lichaam. 6. Wij voeden ons met (vleesch van) dieren, die op 
het land, in het water, en in de lucht leven. 7 . Velen willen eerambten 
verwerven en den staat besturen, ofschoon zij met geen kennis van 
zaken, met geen wetenschap zijn toegerust. 8. De vloot was van al het 
noodige (neutr. plur.) voorzien. 9 . De weelderigheid van Campanië heeft 
Hannibal, door de wapens niet overwonnen, door zingenot ten onder 
gebracht ( vincere ). 10 . Door een bode zal ik u van mijn plannen ver- 
wittigen. 11. Door de troepen van Caesar zijn in Gallië vele hevige ge- 
vechten geleverd. 12 . Menschen, die aan voortdurenden en dagelijkschen 
arbeid gewoon zijn, hebben een afkeer van luiheid en lediggang. 
13 . Geniet van uw rust. 14 . Voortreffelijk heeft hij zijn taak vervuld en 
zijn grooten rijkdom heeft hij niet misbruikt; hij was een goed en edel 
burger, allen lof waardig. 15 . Zult gij de hoogste macht in handen 
krijgen? 16 . Hoevelen zijn het licht onwaardig: en toch gaat de zon op. 
17 . Na zich van de stad meester gemaakt te hebben, legde Caesar er 
twee legioenen in. 18 . Wanneer ik dat verkregen heb (yert.: zal hebben), 
zal ik Crassus in rijkdom overtreffen. 19 . Ik heb vernomen, dat gij een 
goede gezondheid geniet (uti). 20 . Laat hem dezen troost genieten. 
21 . Gij weet te overwinnen, Hannibal, uw overwinning te gebruiken, 
(dat) weet gij niet. 22 . Wien heeft zij als helper en metgezel gehad (yert.: 
gebruikt)? 23 . Cicero zegt, dat de Romeinen noch in aantal de Span- 
jaarden, noch in dapperheid de Galliërs, noch in sluwheid de Puniërs, 
noch in de kunst (plur.) de Grieken hebben overtroffen, maar dat zij 
altijd hebben uitgemunt door zielenadel en godsdienstzin. 24 . Lang hebt 
gij mij uw vriendschap waardig gekeurd ( iudicare ); nu mag ik uw om- 
gang niet langer genieten. 25 . In den draagstoel van Verres was het 
kussen met rozen opgestopt. 

77 . 

2, 3* Ablativus pretii en modi. §§ 455, 456* 

1 . Deze landman heeft een akker in pacht voor zes duizend sestertiën. 
2. Piso verkocht aan de Thraciërs, die Moesië bewoonden, den vrede 


48 


voor een zeer hooge (vert.: zeer groote) (som) geld. 3. Weet gij, op den 
dood van hoeveel wakkere mannen deze overwinning te staan komt ? 

4. Wat goedkoop gekocht wordt, blijkt dikwijls (nog) te duur te zijn. 

5. Met welk recht hebt gijlieden dat gedaan? 6. Gij prijst dezen man, 
en terecht prijst gij (hem), maar anderen zijn niet minder lof waardig. 
7. De dood van hen, die den staat tot schande geweest zijn, moet stil- 
zwijgend voorbijgegaan worden. 8. Naar verdienste en met het volste 
(vert.: beste) recht is hem dit te beurt gevallen. 9. Bij dezen mistigen 
en donkeren hemel is het beter thuis te blijven. 10. Dit stuk land is 
voor geen geld te koop (vert. : kan gekocht worden). 11. Hoe hoog 
schat gij (de waarde van) dit huis? 12. Marius, die onder groote hitte 
voortmarcheerde, had niet minder te lijden dan zijn soldaten. 13. Met 
groote onverschrokkenheid had de aanval plaats. 14. Labienus beval 
met meer (vert. : grooter) drukte het kamp op te breken, dan de gewoonte 
van de Romeinen was (vert. : meebracht). 15. Aan tafel (vert. : bij het 
gastmaal) zongen de gasten op de rij af een lied. 


78. 

4* Ablativus qualitatis. Praeposities bij den ablativus 
instrumentalis. §§ 457 — 460 . 

1. Ibissen zijn vogels op hooge pooten met een hoornachtigen en langen 
snavel. 2. Er was een dal tusschen de beide slagorden, niet zeer (ita) 
groot, maar (at) met een moeilijke en steile helling. 3. Op het eiland 
Malta is een stad van denzelfden naam. 4. Wat ik nog niet durf zeggen, 
dat kunt gijlieden toch (wel) bij u zelf denken. 5. Overweegt gij bij u 
zelf, wat u te doen staat (vert.: wat door u moet gedaan worden ). 

6. De Germanen waren van een reusachtige lichaamsgrootte, van onge- 
loofelijke dapperheid en geoefendheid in den wapenhandel (vert. : van 
de wapenen). 7. Morgen zullen wij den heelen dag bij u zijn. 8. In 
onze vloot waren veel schepen, die ongeloofelijk snel zeilden (vert.: met 
ongeloofelijke snelheid door de zeilen). 9. Hoeveel geld had hij bij zich? 
10. In tegenwoordigheid van al mijn vrienden heeft hij gezworen on- 
schuldig te zijn. 11. Als de tijdsomstandigheden anders (vert.: andere) 
en gunstiger (vert. : betere) waren , zou ik niet zonder lachen over dit 
standbeeld kunnen spreken. 12. Hij is uit een familie van consuls. 
13. Aristoteles, een man van groot talent en zeer groote geleerdheid, 
verbond de wijsbegeerte met de welsprekendheid. 14. Niemand zal zoo 
wreed en zoo onmenschelijk van gemoed zijn, dat hij (ml: die) den 
redder van mijn leven van mij af scheurt. 15. Zonder mijn toedoen is dit 
geschied. 


49 


V a Werkwoorden met verschillende constructie bij 
VERSCHILLENDE BETEEKENIS. § 460 * 

79. 

1. Gedurende die dagen kon niemand mij in mijn huis bezoeken. 
2, De dichter Archias muntte reeds als knaap door den roem van zijn 
talent boven allen uit. 3. Hij zeide, dat hij van u in opdracht had, om 
naar mij toe te gaan en mij dat mede te deelen. 4. De ruiters zouden 
eerst de onzen naar buiten lokken, (en) dan, na hen omsingeld te hebben 
(door partic.), hen aanvallen. 5. Cato ging, wat den tijd betreft, aan Scipio 
Africanus en Laelius vooraf. 6. Socrates overtrof (anteiré) in wijsheid al 
zijn tijdgenooten. 7. Laat ons altijd in het oog houden, hoeveel de 
[natuur van den] mensch boven [de natuur van] het vee gaat ( antecedere ). 

8. Wanneer aanvaardden de aangewezen consuls hun ambt? 9. Die ver- 
sierselen pasten mij niet en kwamen niet overeen met dat, wat (vert . : 
die dingen, welke) ik verricht heb. 10. De roover was met zijn makker 
overeengekomen, dat zij den reiziger in het bosch zouden vermoorden. 
11. De Belgen verhinderden de Cimbren en Teutonen hun gebied binnen 
te trekken. 12. Hierover heb ik mij het meest verbaasd, dat gij het 
gewaagd hebt van erfenissen melding te maken, hoewel ( cum met coni.) 
gij zelf de erfenis van uw vader niet aanvaard hadt. 13. Laten wij tot 
andere dingen overgaan. 14. Zult gij ons bijstaan ? Gij zult immers bij 
het proces niet (immers niet = num?) aanwezig zijn? 15. Uw vermetele 
woorden zullen niemand vrees inboezemen. 16. Kinderen moeten hun 
ouders de verschuldigde eer bewijzen. 

80. 

1. Onze voorvaderen betoonden zich de dapperste voorvechters van 
recht en vrijheid. 2. Die meent, dat onbeschaafde menschen zich zullen 
matigen, vergist zich. 3. Dat ( quod ) hij voor zijn vriend zorg wil dragen, 
berisp ik niet. 4. Het Romeinsche volk heeft wel (iam) geleerd, voor 
wie het op zijn hoede (moet) zijn. 5. Wien zal het wonderlijk voorkomen 
(vert . : schijnen), dat die man zich niet van misdaad heeft onthouden? 
6. Wij kunnen achterhoudend zijn tegen vreemden, maar hoe kunnen 
wij ons wachten voor een vriend? 7. Hij zegt, dat ieder voor zich zelf 
moet (gerundiv.) zorgen. 8. Uw vriend heeft mij schriftelijk over die zaak 
geraadpleegd, maar ik heb hem nog geen antwoord kunnen geven. 

9. Niet alleen mijn trouw, maar ook mijn zorg, mijn beleid, mijn waak- 
zaamheid zal ik bewijzen. 10. Gij moet de góden aanroepen, Quirieten, 
dat (ut) zij deze schoone (superl.) en bloeiende (superl.) stad beschermen 
tegen de goddelooze misdaad van zeer slechte burgers. 1 1. M. Marcellus, 
die Syracuse met geweld en beleid genomen heeft, zorgde niet alleen 
voor onze bondgenooten, maar heeft ook de overwonnen vijanden ge- 
spaard. 12. Zulke menschen kunnen zich niet matigen in hun harts- 
tochten. 13. Wie den staat goed bestuurd heeft, behoeft geen laster te 


50 


duchten van den kant zijner vijanden. 14. Op trouwelooze vrienden zal 
ik mij wreken, door niets te gelooven en voor alles op mijn hoede te 
zijn. 15. Als het ooit {vert.: te eeniger tijd) geoorloofd is een (mede-)- 
mensch te dooden, (dan) is dat zeker gerechtvaardigd, wanneer geweld 
met geweld moet worden {vert.: wordt) gekeerd {vert . : afgeweerd). 16. Wie 
kan altijd voor zijn kinderen instaan? 

C. VERSCHILLEND GEBRUIK DER NOMINA IN HET LATIJN 
EN IN ONZE TAAL. §§ 463—493. 

L Substantivum. §§ 463 — 465* 

81. 

1. Catilina zocht meestal den vriendschappelijken omgang met jonge- 
lieden. 2. Verscheidene voorwerpen {vert.: dingen) op het Capitool zijn 
door den bliksem getroffen en de koperen wetstafels {vert.: het koper 
der wetten) gesmolten. 3. Vele soorten wijn werden uit Griekenland in 
Italië ingevoerd. 4. Sneeuw- en hagelbuien zijn ’s winters niet zeldzaam. 
5. In geestige gezegden en kwinkslagen waren de bewoners van Attica 
alle Grieken de baas. 6. Om het gevaar af te wenden, kwamen sommigen 
aandragen met wierook en reukwerk, anderen met koperen beelden, 
anderen met edelgesteenten en parelen. 7. Ook in vredestijd (door domesticus) 
zijn er manieren om zich dapper te gedragen. 8. Slaap en andere soorten 
van rust mogen wij dan genieten, wanneer wij aan zware en ernstige 
bezigheden {res) genoeg gedaan hebben. 9. Bij de aanzienlijke Romeinen 
hingen in de voorzaal de wassen (borstbeelden) hunner voorouders. 
10. Ten slotte zijn de vijanden op de vlucht geslagen {vert. : hebben den 
rug gekeerd). 11. Sommige wijsgeeren beweerden, dat dan vooral {turn 
maxime) de ziel {mens) van wijze en dappere mannen in haar volle 
kracht was, wanneer zij uit hun lichaam was heengegaan. 12. Menschen, 
wier geest bekrompen en laag is, kunnen geen consul zijn. 

2. Adiectivum. §§ 465 — 473* 

82. 

a. Adiectiva adverbialiter of substantive gebruikt. 

§§ 465— 469* 

1. Caesar richtte op het uiterste gedeelte van de brug een toren op 
van vier verdiepingen. 2. Te midden van zijn onrechtmatige handelingen 
en hartstochten overviel hem de dood. 3. Te Syracuse staan midden op 
de markt de standbeelden der Marcelli. 4. De oudgediende soldaten 
breken midden door de vijanden heen en komen allen tot den laatsten 
man toe ongedeerd in de legerplaats. 5. Belooningen werden uitgeloofd 
aan hen, die het eerst den muur zouden beklommen hebben. 6. Om- 


51 


streeks honderd veertig jaar na den dood van koning Numa betrad 
Pythagoras voor het eerst (den bodem van) Italië. 7. De koninklijke 
macht werd eerst aan de rechtvaardigste en wijste mannen opgedragen, 
vervolgens op de rij af op hun nakomelingen overgebracht. 8. Cicero 
wijdde zich, toen zijn dochter Tullia gestorven was, geheel aan de 
wijsbegeerte. 9. Ver van de legerplaats hielden de vijanden aan den voet 
van een heuvel halt, en begonnen zich hier en daar te vertoonen. 10. Een 
wel onderwezene heeft altijd rijkdom in zich zelf. 11. Die wreede tiran 
dorstte naar het geld van de rijken en het bloed van de armen. 12. Deze 
praetor heeft een ongelukkige en onschuldige ter dood veroordeeld. 
13. „Zij zelf hebben het ons gegeven.” Dat stem ik toe, maar het is de 
vraag of ( rogatur utrum) zij het vrijwillig of (an) tegen wil en dank 
gegeven hebben. 14. Voor een zieke is er hoop, zoolang als er leven is. 
15. Indien gij de waarheid zoekt, zult gij de waarheid vinden. 16. Een 
getuige kan geen gezag hebben, die het ware met het onware vermengt. 
17. Vele geleerden betreurden dit ijdel gedoe. 18. Iedere geleerde is 
nog niet wijs. 19. Dat was het einde van alles. 20. Alle welgezinden 
hoopten op een overwinning der onzen. 


83. 

b. Comparatio der adiectiva. §§ 469 — 473* 

1. Indien uw buurman een beter paard heeft dan het uwe, zoudt gij 
(dan) uw paard liever willen (coni. praes.) hebben of (an) het zijne? 
2. Wie van hen beiden mij het meest vijandig is, weet ik niet. 3. Voor 
wien van beiden was die plaats het meest geschikt voor een hinderlaag? 
4. Het volk der Sueven is verreweg het grootste en oorlogszuchtigste van 
alle Germanen. 5. Minder juist zegt Nepos, dat Themistocles, omdat hij 
te los leefde , door zijn vader is onterfd. 6. Het allergrootste verdriet is 
dat, hetwelk menschen ondervinden van (vert . : waarmee m. aangedaan 
worden door) hun verwanten en beste vrienden. 7. Het is beter te 
zwijgen, dan te veel te zeggen. 8. Deze man is meer rijk dan verstandig. 
9. Euphorion is een te duister dichter. Maar (at) Homerus niet. Wie 
is derhalve de beste? 10. De naam van Themistocles schijnt mij niet 
schitterender dan die (§ 480a) van Solon. 11. Hartstocht is een te hevig 
verlangen; te hevig echter is dat, wat ver af is van de natuurlijke regel- 
maat (vert.: regelmaat der natuur). 12. Dit meisje is (wel) wat babbel- 
achtig. 13. Hij had zeer veel geld, maar nog meer schulden. 14. Cicero 
schreef aan zijn zoon Marcus: „Gij zijt mij zeer dierbaar, maar zult mij 
nog dierbaarder zijn, indien gij u zult verblijden in de lessen, die vervat 
zijn (continëre) in mijn drie boeken over de(n) plicht[en].” 15. Caesar 
bracht zooveel mogelijk troepen op de been. 


52 


84. 

De Ciceronis quaestura Lilybaetana. 

Ita multa Romae geruntur, ut vix ea quae fiunt in provinciis, audiantur. 
Non vereor, ne (dat) mihi aliquid videar adrogare, si de quaestura mea 
dixero, nam nemo audebit dicere ullius in Sicilia quaesturam aut dariorem 
aut gratiorem fuisse. Vere hoe dicam; sic tum existimabam, nihil homines 
aliud Romae nisi de quaestura mea loqui. Frumenti in summa caritate 
maximum numerum miseram ; negotiatoribus comis, mercatoribus iustus, 
mancipibus liberalis, soeiis abstinens, omnibus eram visus in omni officio 
diligentissimus ; excogitati quidam erant a Siculis honores in me inauditi; 
itaque hac spe decedebam, ut mihi populum Romanum ultro omnia 
delaturum putarem. At ego cum decedens e provincia Puteolos forte 
venissem diebus eis, cum plurimi et lautissimi in eis locis solent esse, 
concidi paene, cum ex me quidam quaesisset (§ 241), quo die Roma 
exissem et num quidnam esset novi. Cui cum respondissem, me e provincia 
decedere: „etiam”, inquit, „ut opinor, ex Africa”. Huic ego iam 
stomachans fastidiose: „immo ex Sicilia”, inquam. Tum quidam, quasi 
qui omnia sciret: „Quid? tu nescis”, inquit, „hunc quaestorem Syracusis 
fuisse?” Quid multa? Destiti stomachari et me unum ex eis feci, qui 
ad aquas venissent. Sed ea res haud scio an plus mihi profuerit, quam 
si mihi tum essent omnes gratulati. 

85. 

De Pythii dolo malo. 

C. Canius eques Romanus, nee infacetus et satis litteratus, cum se 
Syracusas otiandi, ut ipse dicere solebat, non negotiandi causa contulisset, 
dictitabat se hortulos aliquos emere veile, quo invitare amicos et ubi se 
oblectare sine interpellatoribus posset. Quod cum percrebruisset, Pythius 
quidam, qui argentariam faceret Syracusis, venales quidem se hortos non 
habere ei dixit, sed licere Canio uti, si vellet, ut suis, et simul ad cenam 
hominem in hortos invitavit in posterum diem. Cum ille promississet, 
tum Pythius, qui esset ut argentarius apud omnes ordines gratiosus, 
piscatores ad se convocavit et ab iis petivit, ut ante suos hortulos postridie 
piscarentur, dixitque quid eos facere vellet. Ad cenam tempori venit 
Canius: opipare a Pythio adparatum convivium, cumbarum ante oculos 
multitudo; pro se quisque quod ceperat adferebat; ante pedes Pythii 
pisces abiciebantur. Tum Canius „Quaeso”, inquit, „quid est hoe, Pythi? 
tantumne piscium?tantumne cumbarum?” Et ille „Quid mirum?”, inquit, 
quiequid piscium est Syracusis, hoe loco est; hac villa isti carere non 
possunt.” Incensus Canius cupiditate contendit a Pythio, ut venderet. 
Gravate ille primo. Quid multa? Impetrat. Hortos emit homo cupidus 
et locuples tanti, quanti Pythius voluit, et emit instructos. Invïtat Canius 
postridie familiaris suos, venit ipse mature, cumbam nullam videt. Quaerit 


53 


ex proximo vicino, num feriae quaedam piscatorum essent, quod eos 
nullos videret? „Nullae, quod (voor zoover) sciam”, inquit, ,,sed hic 
piscari nulli solent. Itaque heri mirabar quid accidisset.” Stomachabatur 
Canius, sed quid faceret? 

3 * Pronomina* §§ 473— 493* 

86 . 

a, b* Pronomen personale en possessivum. §§ 473 — 476* 

1. Uit haat tegen ons wilde het volk, dat deze rechters (en) geen 
andere [over] ons zouden vonnissen (inf. praes.). 2. Twee schepen van 
ons gingen voor anker, daar de schippers niet wisten , waarheen de overige 
schepen koers gezet hadden. 3. Wien van u beiden past het meer te 
zwijgen, u of (an) hem? 4. Wij hebben medelijden met u en uw 
kinderen, die gij (als) ellendig(en) in armoede en eenzaamheid hebt 
achtergelaten. 5. Niet minder is het onze, wat wij met onze ziel, dan 
wat wij met onze oogen waarnemen (complecti). 6. Wie uwer neemt 
eenige moeite en inspanning van het lichaam op zich, dan ( nisi ) 
opdat hij daaruit eenig voordeel behale? 7. Wie der uwen meent gij 
dat dit gelooven zal? 8. Een zeldzaam verlangen naar de stad, een 
ongeloofelijk verlangen naar de mijnen en vooral naar u bezielt (vert.: 
houdt vast) mij. 9. Voor hen en huns gelijken zal hier geen plaats zijn. 
10. Dit is de schuld niet van overheidspersonen, maar van u allen, de 
burgers van dezen staat. 1 1 . Deze zaak is de krachten niet waard van 
u, die gewoon zijt grootere lasten in den staat te torsen. 12. Verschei- 
dene soldaten van ons werden er gevonden, die onvervaard op de 
vijanden insprongen en hun schilden met hun handen wegrukten. 
13. Sextus Roscius werd beschuldigd ( arguere ) zijn vader te hebben ver- 
moord. 14. Was dat geschrift van hem? Neen, maar van u zelf. 15. Zijn 
eigen zoon heeft hij nooit gezien. 


87. 

c* Pronomen reflexivum. §§ 476 — 479* 

1. Pompeius heeft mij altijd zijn vriendschap waardig gekeurd. 2. Ca- 
tilina stond op en vroeg aan de Galliërs, wat hij met hen te maken had , 
waarom zij naar zijn huis gekomen waren. 3. Deze gezanten bieden u, 
Caesar, voor het heil van hun koning hun eigen lichaam (plur.) aan. 
4. De menschen zoeken altijd huns gelijken. 5. Hij gaf te kennen, dat 
hij iets van een samenzwering gehoord had, (maar) het niet geloofd 
had. 6. De rechters meenden, dat hij, dien zij veroordeeld hadden , hun 
vijandig gezind was. 7. Zij zeiden, dat zij iemand van ons of van de 
onzen gezien hadden. 8. Verres heeft een zeer prachtig beeld van Ceres 
van (ex) zijn plaats en uit zijn tempel (domus) weggehaald. 9. Zij bekende, 
dat zij hem zeer veel verplicht was voor zijn weldaden. 10. Caesar 


54 


kwam tot de overtuiging ( statuere ), dat hij den Rijn moest (gerundiv.) 
overtrekken. 11. Zij zegt, dat niemand tegen haar wil haar huis zal 
betreden. 12. Hij beweerde, dat hij tegen zijn wil dat misdrijf gepleegd 
had. 13. Voor Pompeius zal zijn eigen huis (weer) openstaan. 14. Wie 
zal geen berouw hebben van zijn zonden? 15. Gijlieden zijt (wel) geen 
groote vrienden, maar toch haat gij elkaar niet. 16. Zij zullen in mij 
een leidsman hebben, die zich zelf vergeet en aan hen steeds denkt 
( vert . : hunner steeds gedachtig is). 17. Hij is ziek, zoodat ik hem niet 
bezoeken kan. 18. De getuige verklaarde, dat in zijn tegenwoordigheid 
een Romeinsch burger onthoofd was. 19. Toen hij deze woorden 
gesproken had (door abl. abs.), ging hij kalm {vert.: met een kalm 
gemoed) heen. 20. Zij komen elkaar steeds te hulp. 21. Weet gij, wat 
zij van {de) zich zelf denkt? 22. De mensch vergete niet {vert. : moet 
(imperat.) zich herinneren), dat hij niet voor zich zelf alleen, maar voor 
de zijnen, voor het vaderland geboren is. 23. Zij leest zijn brieven, hij 
leest haar boeken. 

88 . 

d, e, f* Pronomen demonstrativum, determinativum, 
relativum. §§ 479 — 487* 

1. Die rampen zullen wij kalm dragen, welke de noodzakelijkheid ons 
dwingt te dragen. 2. Dat (plur.) ga ik voorbij; dit vraag ik: deze man, 
die, zooals gij zelf zegt, nooit onder menschen geleefd heeft , hoe heeft 
die dit ernstig misdrijf zoo in het verborgen kunnen begaan en door 
(tusschenkomst van) welke menschen? 3. Waartoe {vert.: tot welke 
dingen) wij het meest geschikt [zullen] zijn, daarmede (in) zullen wij bij 
voorkeur {vert.: het liefst) ons bezig houden. 4. Weinigen kennen die 
vuile ondeugden van u: ik zal ze alle blootleggen. 5. De menschen 
zoeken niet naar de gronden van die dingen, die zij altijd zien. 6. Zij 
schreef mij, dat zij morgen uit Rome zou vertrekken, wat wij allen goed- 
keuren. 7. Dien getuige van u, die heeft durven verklaren, dat hij bij 
den moord tegenwoordig geweest is, houd ik voor een leugenaar. 
8. Rome, de stad, die gij allen kent, is de hoofdstad van Italië. 9. Ilium, 
de stad, die naar wij weten {vert.: die wij weten dat) door de Grieken 
verwoest is, lag in Klein-Azië. 10. Te Capua, een stad waarin groote 
weelderigheid heerschte, lagen de troepen van Hannibal in de winter- 
kwartieren. 11. ’s Zomers gaan wij naar buiten, en dat is voor 
ons en onze kinderen het grootste genot. 12. Deze goddelooze man 
vervloekte zich zelf en de zijnen, maar toen {ubi) ik dat hoorde (perf.), 
heb ik hem ernstig vermaand. 13. Die zich zelf kent, kent ook anderen. 
14. Met grooten ijver wijdde Lucullus zich aan de wijsbegeerte, zelfs 
in den oorlog. 15. Marcus Cato heeft te Utica zich zelf met zijn zwaard 
gedood. 16. Alleen reeds uw komst is te prijzen. 17. Vlak aan den voet 
van het gebergte lag het kamp der vijanden, en toen de veldheer dat 
zag {vert.: gezien had), stelde hij zijn soldaten in slagorde {vert.: stelde 


55 


hij de slagorde op). 18. Hij beweerde, dat deze wapenen van zelf op 
den grond gevallen waren. 19. De gedichten van Homerus kunnen niet 
vergeleken worden met die van andere dichters. 20. In één huis en 
dat nog wel een klein, woonde het geheele slavenpersoneel van dezen 
schatrijken man. 21. Er is niemand, die zich zelf haat. 22. Om (pro) 
alle menschen te bewaren of te helpen heeft de bekende Hercules alle 
moeiten en lasten op zich genomen. 23. Cicero’s zoon heeft in Grieken- 
land en nog wel te Athene (de lessen van) de voornaamste wijsgeeren 
van dien tijd bijgewoond ( audire ). 24. Een veldheer heeft zelfs in zijn 
tent niet veel vrijen tijd. 

89. 

g t h f L Pronomen interrogati vum en indefinitum 
Adiectiva pronominalia. §§ 487 — 493 * 

1. Laat ieder uitkiezen, wat hij voor zich wil. 2. Wie zelf vader is, 
kan begrijpen, hoe een vader gezind is ( vert .: welke dé vaderlijke gezind- 
heid is) jegens zijn kinderen. 3. Wien is het onbekend, wat voor man 
hij is? 4. Indien gij aan iemand iets beloofd hebt, moet gij het (ook) 
doen (vert.: moet het door u gedaan worden). 5. Hebt gijlieden (wel) 
opgemerkt (- ne ), dat ik nooit iets, wat dan ook, heb gezegd of gedaan 
ten nadeele van (contra) eenig Romeinsch burger? 6. Ieder uwer weet, 
hoe ellendig die man is. 7. Caesar verbood (interdicere) allen, dat (ne) 
zij iemand, wien ook, dooden zouden. 8. Zal iemand durven zeggen, 
dat ik opzettelijk (vert.: wetende) deze verdragen heb geschonden en 
verbroken? 9. Zonder eenig gevaar zult gij deze reis kunnen maken. 
10. Zij zijn gevangen en kunnen op geen manier (vert.: noch kunnen) 
ontsnappen. 11. De twee consuls wedijverden onder elkaar, wie van hen 
den staat het best bestuurde. 12. Als mij eenig gevaar boven het hoofd 
hangt, is het veiliger dat ik thuis blijf. 13. Wat is zijn naam? 14. Die 
zaak zal ieder onzer wonderlijk voorkomen. 15. Sommigen gingen 
hierheen, anderen daarheen. 16. In den slag bij Cannae zijn de meeste 
Romeinsche soldaten gesneuveld: de anderen zochten hun toevlucht in 
de naastbijzijnde steden. 17. De beide aanvoerders sneuvelden te gelijk. 
18. Ik zal het doen, vooral als het u beiden aangenaam is (vert. : zal 
zijn). 19. Of Marius of Sulla of (sivé) (misschien wel) beiden hebben 
den burgeroorlog gewenscht. 20. Zoolang wij consuls zijn (door abl. abs.), 
zal er geen ander Rome zijn. 21. Zoolang er iemand, wie ook, zal zijn, 
Catilina, die u durft verdedigen, zult gij (blijven) leven. 22. Een ieder 
zij heer in zijn eigen huis. 

90. 

[Over] Hannibal. 

Kort na den tweeden Punischen oorlog kwamen uit Rome gezanten te 
Carthago. Hannibal, van meening, dat zij waren gekomen om (door causd) 

WOLTJER en VAN bleek, Lat. Oef. II. * 


5 


56 


zijn uitlevering te vragen, ging heimelijk aan boord van een schip en 
vluchtte naar Syrië tot koning Antiochus en bleef daar vier jaar. Maar 
nadat Antiochus verjaagd was, is hij, vreezende, dat ( ne ) hij zou worden 
uitgeleverd, wat zonder twijfel gebeurd zou zijn, naar Creta gegaan. Hij 
begreep echter, dat hij daar wegens de hebzucht der Cretensers in groot 
gevaar zou zijn: want hij had veel geld bij zich, en wist, dat het gerucht 
daarvan zich had verspreid ( exire ). Derhalve vult hij allerlei (vert. : alle) 
vaatwerk met lood, van boven (vert.: het bovenste van het vaatwerk) 
echter met goud en zilver. Dit vaatwerk zet hij in tegenwoordigheid 
van de voornaamsten van het eiland neer in den tempel van Diana, 
veinzende, dat hij zijn schatten aan haar toevertrouwde. De Cretensers 
bewaakten den tempel met groote nauwgezetheid, niet zoozeer tegen de 
anderen, als tegen Hannibal zelf, opdat hij niet buiten hun weten (door 
abl. abs.) iets zou wegnemen. 

Kort daarop is hij naar Bithynië tot koning Prusias gegaan. Bij hem 
toonde hij (vert.: was hij van) dezelfde gezindheid tegen Italië en deed 
niets (door neque ) anders dan den koning opzetten tegen de Romeinen. 
(Nu) gebeurde het, dat gezanten van Prusias te Rome bij den oud- 
consul Flaminius middagmaalden en een hunner vertelde, toen er over 
Hannibal gesproken werd (door mentionem facere , abl. abs.), dat deze 
in het rijk van Prusias was. Flaminius heeft dit den senaat overgebracht. 
De senatoren, van meening, dat zij nooit buiten gevaar (vert. : zonder 
hinderlaag) zouden zijn, zoolang Hannibal leefde (door abl. abs.), zonden 
dadelijk gezanten, die Hannibal dood of levend (moesten) vangen. Hannibal 
woonde in een klein kasteel, hem door den koning gegeven. Toen nu 
iemand hem meldde, dat gewapenden zich vertoonden en het kasteel 
omsingelden, begreep (sentire) hij, dat dit niet toevallig gebeurde, maar dat 
hij gezocht (petere) werd. Gedachtig aan zijn vroegere dappere daden (virtus) 
heeft hij toen vergif genomen, dat hij gewoon was bij zich te dragen. 

Zoo is deze dappere man na veel moeiten en gevaren te hebben 
doorstaan ( perfungi ), 70 jaar oud gestorven. 


VERBUM. 

§§ 493— 621 ♦ 

91. 

A. GENERA. §§ 493—496. 

1. Wij vragen u, door wien gij geslagen zijt. 2. Zijn de landerijen 
van u reeds door uw broeder verkocht? 3. Hij gevoelde, dat hij door 
allen gehekeld werd om zijn dwaasheid. 4. Wij wisten niet, voor hoeveel 
deze goederen door ons konden verkocht worden, indien zij in het 
openbaar werden verkocht. 5. Standbeelden gaan te gronde door oüder- 


57 


dom of door geweld. 6. Het is (de begeerte) van een edel mensch 
geprezen te (willen) worden door zijn ouders, door zijn verwanten, ook 
door goede mannen. 7. Zij meenen, dat ik daarom wil geprezen worden, 
opdat hij in geen kwaden reuk komt. 8. Water, (dat is) afgesloten, bederft 
licht. 9. Iuba is te paard naar de stad gereden, terwijl (door abl. abs.) 
verscheidene senatoren hem begeleidden. 10. De tijden veranderen en wij 
veranderen met (in) hen. 11. Deze rivier stort zich van hooge bergen af 
en stroomt met groote snelheid naar de vlakte. 12. Daar de getuige dit 
onder eede ( vert . : na gezworen te hebben) verklaarde, schonken wij hem 
geloof. 13. Toen hij (eenmaal) ontbeten en gedronken had (door partic.), 
gaf hij om niets (meer). 14. Alexanders karakter begon na den dood 
van Darius te veranderen. 15. Den langdurigen en ingekankerden (vert.: 
ingewortelden) haat, dien zij tegen mij koesterden, begeerden zij te 
koelen. 16. Door de Romeinen werden knapen, wanneer zij volwassen 
(vert.: opgegroeid) waren, aan de leeraars der redekunst toevertrouwd. 

17. In Zwitserland pleegt het vee in den zomer op de bergen te weiden. 

18. Hij zei, dat hij vóór het einde van het loopende jaar zou terugkeeren. 

19. Zij lieten zich meesleepen door de vleierijen van dien bedrieger. 

20. Ieder jaar neemt het aantal af van hen, die noch lezen noch schrijven 
kunnen. 21. Vóór den maaltijd wiesch hij zich; na te hebben gemiddag- 
maald ging hij wandelen. 22. De brug zal breken door de zwaarte der 
wapenen en paarden. 23. Nu eens verbergen de planeten zich, dan weder 
komen zij te voorschijn; nu eens bewegen zij zich sneller, dan langzamer, 
dan schijnen zij zich in het geheel niet te bewegen. 24. Op een gegeven 
teeken verzamelden zich alle soldaten bij (ad) de veldheerstent. 

B. TEMPORA. §§ 496— 51 L 
92. 

1 . „Aangaande Carthago,” sprak Cato, ,,zal ik niet eerder mijn vrees laten 
varen (vert. : zal ik niet eerder (ante) ophouden te vreezen), voor (quam) 
ik vernomen heb, dat het verdelgd is.” 2. Omdat Antiochus, de koning 
van Syrië, niet van plan was aan den zeeslag deel te nemen, trok hij 
weg naar Magnesia, een stad in Lydië. 3. Met den kruisdood (poena crucis) 
werden bij de Puniërs de veldheeren gestraft, wanneer (door abl. abs.) 
zij ongelukkig oorlog gevoerd hadden. 4. Hannibal was gewoon altijd 
vergif bij zich te hebben. 5. Regulus keerde naar Africa terug, omdat hij 
meende te moeten terugkeeren, daar hij (het) gezworen had. 6. Waarlijk 
zalig zullen wij zijn, wanneer wij, na (door abl. abs.) ons lichaam 
(plur.) te hebben achtergelaten, ook van onze begeerten en hebzucht 
(plur.) bevrijd zijn. 7. Ik at bij mijn broeder, toen aan ieder onzer 
de brief van (a) u werd ter hand gesteld. 8. De soldaat was door den 
veldheer ter dood veroordeeld: reeds strekt hij zijn hals uit, toen 
plotseling de krijgsmakker verschijnt, die naar men zeide door hem 


58 


gedood was (yert. : die gezegd werd door hem te zijn gedood). 9. Bij 
de belegering van een stad beklom Scipio het eerst de wallen en 
baande voor de overige soldaten den weg. 10. Hij wilde mij een groote 
som gelds geven, om mij om te koopen, maar ik weigerde. 11. De 
Helvetiërs trachtten met booten en vlotten de rivier over te steken. 
12. Morgen rijd ik naar huis: rijdt gij met mij (mee)? 13. Misschien 
zegt iemand, dat ik mij vergis; (dan) vergist hij zich. 

93. 

1. Het is gedaan met u; het is gedaan met uw stad, met uw land, met 
uw macht. 2. Wie was overwinnaar in den slag bij Cannae, Hannibal 
of ( an ) Varro? 3. Bij het aanbreken van den dag voerde Caesar al zijn 
troepen uit de legerplaats en stelde (ze in) een dubbele slaglinie op; 
toen wachtte hij af, welk besluit de vijand nam. 4. Toen aan Caesar 
bericht werd, dat de Helvetiërs door onze provincie trachtten te trekken, 
rukte hij in zoo groot mogelijke dagmarschen naar het aan gene zijde 
(der Alpen) gelegen Gallië op. 5. Indien de vijanden dapper zijn, zal de 
roem van den overwinnaar des te grooter zijn. 6. Caesar begreep, dat, 
als de Sueven zich met de troepen van Ariovistus vereenigden, hij hun 
minder gemakkelijk weerstand bieden kon. 7. Mucius Scaevola zei tot 
Porsenna: „Driehonderd Romeinsche jonge mannen hebben het plan u 
te dooden.” 8. Sallustius schrijft: „Ik ben voornemens den oorlog te 
(be)schrijven, dien het Romeinsche volk met Iugurtha gevoerd heeft.” 
9. In het kamp der Perzen vonden de Atheners na den slag bij 
Marathon een groot aantal (vis) ketenen, waarmee Datis de gevangenen 
had willen boeien. 10. Indien gij de overwinning behaalt, zal de buit 
geheel voor u zijn, soldaten. 11. Ieder die (ut quisque) te Rome (n.b.) 
kwam (yert.: gekomen was),, bezocht het forum en het Capitool. 
12. Themistocles wijdde zich geheel aan den staat: geen enkele zaak 
van eenige beteekenis werd zonder hem verricht. 13. Pausanias is op 
dezelfde plaats begraven, waar hij gestorven was (yert.: het leven 
had afgelegd). 


C. MODI. §§ 511 — 569 . 

I. Indicativus. §§ 513 517 . 

94. 

1. Brutus bemin ik niet minder dan gij, bijna had ik gezegd, dan u. 
2. Vaak zeggen de menschen dingen, waarover zij hadden moeten 
zwijgen. 3. Clodius zou Cicero bijna omgebracht hebben. 4. Het zou te 
lang zijn, alle kunstenaars met name te noemen, die Athene heeft voort- 
gebracht (ferre). 5. De wetten der Cretensen, hetzij Minos, hetzij Juppiter 
ze verordend (sancire) hebbe, ontwikkelen de jeugd door moeite en 
inspanning. 6. Ontvang mijn gave, hoe klein ze ook zijn moge, met een 


59 


dankbaar hart ( vert .: gemoed). 7. Wat door hem gedaan wordt, zou ik 
liever stilzwijgend hebben willen voorbijgaan. 8. Wat zij ook mogen 
denken, zij merken, dat ik het weet. 9. Ik zou vele voortreffelijke mannen 
kunnen noemen, die verscheidene jaren door de grootste smarten ge- 
kweld werden. 10. Gij hadt gedienstiger jegens mij moeten zijn en hetgeen 
gij dan nog (door ipse) gedaan hebt, hadt gij nauwkeuriger kunnen doen. 
1 1 . De oorlog had niet ondernomen moeten worden of (anders) had hij 
gevoerd moeten worden overeenkomstig (pro) de waardigheid van het 
Romeinsche volk. 12. Voor vele menschen zou het nuttiger geweest zijn, 
dat de rede hun niet gegeven was (inf. praes.). 13. Wij zijn verschuldigd 
te gehoorzamen aan de wetten van den staat, hoe zij ook tot stand ge- 
bracht ( ferri ) mogen zijn. 14. Het zou voor het menschdom (vert. 
menschelijk geslacht) beter geweest zijn, dat gij nooit geboren waart. 
15. Wie het ook zijn moge die mij helpen wil, ik zal hem altijd dank- 
baar zijn. 16. Nooit zou ik geloofd hebben, dat hij in kennis uw mindere 
(vert.: minder dan gij) was. 17. De beste mannen moesten altijd den 
staat besturen. 18. Het zou billijker geweest zijn over deze daad van u 
niet te spreken. 19. Ik beweer, dat niemand verstand heeft (peritus) van 
alles, tenzij gij wellicht meenen mocht, dat zulke menschen wél gevonden 
worden. 20. Hoeveel vijanden er ook mogen zijn, wij zullen hun het 
hoofd bieden. 


II. Con iunctivus. §§ 517 — 567. 

A. In hoofdzinnen. §§ 517 — 522. 

95. !) 

1, 2. Potentialis en Optativus. §§ 517 — 519. 

1 . Och, dat gij tevreden waart met dat, wat gij bezit! 2. Mochten onze 
soldaten overwinnen! 3. Och, dat de góden den menschen die sluwheid 
niet gegeven hadden! 4. Het ga mijn medeburgers wel: mogen zij wel- 
varend, mogen zij gelukkig zijn! 5. Ik zou liever willen sterven, dan den 
ondergang van mijn vaderjand zien. 6. Toen de slag ten einde was 
(> conficere ), had men kunnen zien, hoe groot de onverschrokkendheid in 
het leger van Catilina geweest was. 7. Zou ik op u toornig hebben 
kunnen worden, broeder? 8. Ik wilde, dat mij uw welsprekendheid 
gegeven was, Demosthenes! 9. Ik hoop, dat mijn vriend vandaag thuis 
komt. 10. Uw tegenstander zou ik niet willen zijn. 11. Wie had ooit 
kunnen denken, dat iemand uit een zoo onaanzienlijk geslacht [gesproten] 
tot consul gekozen zou zijn! 12. Wat had hij anders kunnen doen? 
13. Hij leve, hij groeie, hij bloeie! 14. Ik moge sterven (vert.: niet be- 
houden zijn), indien ik anders spreek dan (ac) ik denk (sentiré). 15. Ik 
wenschte, dat gij een anderen weg hadt ingeslagen. 16. Ik zou liever 


x ) Voortaan wordt in den regel niet meer door cursiveering aangegeven, 
wanneer de coniunctivus moet gebruikt worden. 


60 


over land dan over zee willen reizen. 17. Men had (wel) kunnen zeggen, 
dat haar toen de woorden ontbroken hebben, maar wie zou het geloofd 
hebben? 18. De Romeinen plachten den keizers toe te roepen: ,,Wees 
gelukkiger dan Augustus en beter dan Traianus!” 19. Niemand kan ont- 
kennen, dat hij gedaan heeft, wat de plicht is van een trouw vriend 
en een eerlijk burger. 20. Moogt gij behouden van (ex) uw reis terug- 
keeren en mogen uw daden u tot eer en voordeel zijn! 21. Ik wenschte, 
dat ik u nooit gekend had. 22. Ik wenschte, dat ik genoeg geld had, 
om u te helpen. 23. Och, dat de vijand verslagen en onze stad van alle 
gevaar bevrijd was! 24. Iemand zou kunnen zeggen: ,,Gij hadt nauw- 
gezetter moeten handelen/’ Het heeft mij echter aan tijd ontbroken. 

96. 

3, 4 , 5 ♦ Adhortativus, concessivus, dubitativus. §§ 519 — 522 * 

1. Gij, rechter, doe niets uit gunst. 2. Laat u niet door medelijden 
bewegen. 3. Verwonder u niet, indien ik langer afwezig zijn zal. 

4. M. Antonius wil den vrede? Laat hem de wapens neerleggen, laat 
hem den vrede vragen, afbidden. 5. „Laat ons sterven,” zei Calpurnius, 
„en laat ons door onzen dood de omsingelde legioenen aan het gevaar 
ontrukken.” 6. Zou ik hem niet beminnen, hem niet bewonderen, niet 
meenen, dat hij verdedigd moet worden tegen allen laster? 7. Hij is 
een misdadiger en een goddelooze: en voor zoo iemand (hic) zou ik 
wijken? zoo iemands voorwaarden zouden wij (aan)hooren? 8. Sol- 
daten, vreest den dood niet! 9. Men moet zulke dingen niet zeggen. 
10. Gij moet niet te veel wijn drinken. 1 1 . Toen Themistocles uit Athene 
verbannen was, is hij naar den Perzischen koning gevlucht: wat had hij 
anders moeten doen? 12. Laten wij geen onmogelijke dingen (vert . : wat 
(neutr. plur.) niet gedaan kan worden) verlangen. 13. Gesteld dat dit geen 
schande is: een eer is het zeker niet. 14. Wat moet ik antwoorden, 
mannen? 15. Doe dat niet, men moet zoo niet handelen. 16. Laten ze 
mij maar gierig noemen, laten ze mij maar haten: moet ik daarom niet 
doen, wat ik mijn plicht acht? 17. Laat het hetzelfde zijn, de prachtigste 
spelen te hebben gegeven (facere) en nooit geen spelen te hebben 
gegeven: meent gij (dan), dat er (afgezien daarvan) geen onderscheid 
geweest is tusschen uw praetuur en de zijne? 18. Mijn vriend raadpleegde 
mij, of (-ne) hij naar huis moest terugkeeren. Wat moest ik zeggen? 
19. Laten wij met reine handen ons tot de góden wenden. 20. Goed 
( Esto ), laat hij dapper geweest zijn, laat hij zich een man betoond 
hebben: hij is een vijand van u en van mij. 21. Indien gij hem vonnist 
(futur. exact.), rechters (welk onheil (omen) Iuppiter moge verhoeden!), 
waarheen moet de ongelukkige zich wenden? Moet hij in ballingschap 
gaan? 22. Men moet het geld goed gebruiken, als men het heeft 
(vert.: als het aanwezig is); als men het niet heeft (vert.: als het 
afwezig is) y moet men het niet wenschen (requirere). 


61 


B» In afhankelijke zinnen» §§ 522 — 567» 

a. Zonder voegwoord. §§ 523 — 534» 
l t 2» Na werkwoorden en in afhankelijke vragen . 

§§ 523—525» 

97. 

1. Al ( Heet ) hangen mij van alle kanten allerlei ( omnis ) bedreigingen 
en gevaren boven het hoofd, ik zal u (toch) te hulp komen. 2. Hierin 
behoort de gansche omvang (verf. : grootte) van uw welsprekendheid 
duidelijk aan het licht te treden. 3. Die vermetele man moet ten val 
komen ( corruere ) öf door zijn tegenstanders öf door eigen toedoen (per) 
alleen. 4. Vóór zijn terugkeer behoort hij zich eerst tot mij te wenden. 
5. Verres mag al zeggen, dat hij deze schilderijen, deze beelden gekocht 
heeft, gij zult hem niet gelooven, rechters, tenzij gij wellicht meenen mocht, 
dat Grieken dergelijke kostbaarheden plegen te verkoopen. 6. Twijfelt nu 
nog, mannen, zoo gij kunt, door wien hij vermoord is! 7. Hij zegt, dat 
hij niet begrijpt, waarom de deugd zoo begeerlijk (door expetere) schijnt. 
8. Velen twijfelden, wat het beste was. 9. Twijfelt gij, of er na den dood 
eenig bewustzijn is? 10. Ik twijfel niet, of hij zal dadelijk bij u komen. 
11. Hij raadpleegde mij, of hij dit doen kon. 12. Dit vragen wij u, of 
j?ij meent dat er ook een kunst van spreken is. 13. De vraag is, of er 
góden zijn. 14. Het kan voor niemand twijfelachtig zijn, of Cicero een 
groot redenaar geweest is. 

98. 

1. Gij zult mij behoorlijk moeten duidelijk maken ( docêre ), of gij mijn 
vriend zijt. 2. Daar ik begrijp, wat er gebeurd is, wil ik niet vragen, 
waarom het gebeurd is. 3. Ik zou (wel) willen, dat gij mij antwoordt, 
of misschien iemand het gewaagd heeft van mijn ouders kwaad te 
spreken. 4. Indien een godheid u vroeg (coni. praes.), of gij misschien iets 
verlangt, wat zoudt gij antwoorden (coni. praes.)? 5. Om zijn schulden te 
betalen ziet de landbouwer zich genoodzaakt (vert.: wordt de l.g.), zijn 
vee en zelfs zijn gereedschap te verkoopen. 6. Vraag mij niet, wat gij doen 
moet. 7. Croesus vroeg Solon, wien hij van alle menschen voor den 
gelukkigste hield. 8. Uw oom vertelde mij, dat hij iemand, ik weet niet 
(meer) wien, voornemens was te bezoeken. 9. Weet gij niet, van hoeveel 
belang dat voor u en voor hem is? 10. Indien gij zorgvuldig nagaat (n.b.), 
wat Mithridates heeft vermocht (vert. : gekund), wat hij heeft tot stand 
gebracht, en wat voor een man hij geweest is, dan zult gij hem stellen 
boven alle koningen, met wie het Romeinsche volk oorlog gevoerd heeft. 
11. Het is een fout van een redenaar niet te zien, welke eischen iedere 
zaak stelt (vert.: wat iedere zaak eischt). 12. Weinigen wisten eertijds, 
of zij konden procedeeren en hoe zij moesten procedeeren. 13. Pas op, 
dat gij niemand een vreemdeling noemt, opdat gij niet door de stemmen 
der vreemdelingen wordt weggevaagd (obruere). 14. Ik zou wel gewild 
hebben, (dat) gij mij hierin geloofdet. 


62 


3 . In relatieve zinnen. §§ 525 — 534 . 

99. 

1 . Toen P. Sulpicius (en) C. Aurelius consuls waren, zijn er Carthaagsche 
gezanten te Rome gekomen, die den senaat en het Romeinsche volk moesten 
dank zeggen, omdat ( quod ) zij met de Carthagers vrede gesloten hadden 
en die tevens vragen moesten, dat de gijzelaars en gevangenen werden 
teruggegeven. 2. De senatoren zonden, omdat zij van meening waren, dat 
zij altijd in gevaar zouden verkeeren, zoolang (door abl. abs.) Hannibal 
leefde, gezanten naar Klein-Azië, die de uitlevering van den Carthaagschen 
veldheer moesten eischen. 3. De gewonde soldaat verlangde een genees- 
heer, om door dezen verbonden te worden. 4. De nijvere landman plant 
boomen, wier vruchten hij zelf nooit aanschouwen zal. 5. De woorden 
zijn uitgevonden, niet om den wil te verbergen, maar te openbaren. 
6. Wat zij, die op Caesar afgunstig zijn, voorgeven te vreezen, is 
(inderdaad) niet te duchten. 7. Sulla prijs ik zeer, omdat hij door zijn 
wet aan de volkstribunen de macht om (genet.) onrecht te doen heeft 
ontnomen. 8. Philippus had Aristoteles als leermeester voor zijn zoon 
Alexander ontboden, opdat deze van hem les[sen] zou ontvangen in 
( vert .: van) het goed handelen en in het goed spreken. 9. Ofschoon 
dat te Cenabum bij zonsopgang gebeurd ( gerere ) was, is het vóór zons- 
ondergang gehoord in het gebied der Arverni, hetgeen een afstand is 
van ongeveer 160.000 passen. 10. Alcibiades begaf zich, omdat hij door 
zijn medeburgers ter dood veroordeeld was, naar de Lacedaemoniërs. 
11. De veldheer, die de gevangenen dooden kon, heeft (toch) hun leven 
gespaard. 12. Cicero, die als consul den staat van de grootste gevaren 
bevrijd had, werd vader des vaderlands genoemd. 

100 . 

1 Terecht wordt gij , die in den slag hoogst lafhartig geweest zijt, door alle 
weldenkenden veracht. 2. Atticus, voor wien alle eerambten openstonden, 
heeft toch altijd als ambteloos burger geleefd. 3. Een diepe (artus) slaap 
beving mij, daar ik (vert.: die) tot diep in den nacht gewacht had. 4. Wij 
hebben medelijden met u, omdat gij zulk een man u tot vijand maakt. 
5. Hoe zal deze man jegens ons, die hij kent, gezind zijn (vert.: van 
welke gezindheid zal hij zijn), die jegens hen, welke hij nooit gezien 
heeft, zoo wreed geweest is! 6. Verres had zich de stad Messana uitge- 
kozen, om haar te hebben tot een handlangster bij (genet.) zijn misdaden 
en een deelgenoote in (genet.) al zijn laagheden. 7. Geen menschelijke 
scherpzinnigheid is zoo groot, dat zij in den hemel kan doordringen. 

8. Niets is zoo moeilijk, dat (het) niet door zoeken kan worden opgespoord. 

9. Darius bracht een leger op de been, dat de grootste vlakte nauwelijks 
kon bevatten. 10. De deugd is waard, dat alle menschen haar beoefenen. 

11. Augustus scheen geschikt, om den lang geteisterden staat te besturen. 

12. Er zijn er velen gevonden, die bereid waren niet alleen hun geld, 


63 


maar ook hun leven voor het vaderland te geven. 13. Welke staat is 
zoo sterk, dat hij niet door de haat der burgers geheel kan te gronde 
gaan? 14. Er zullen altijd menschen gevonden worden, die gelooven, 
dat de ouderdom voor hen de grootste ramp is. 15. Hij begreep niet, 
dat zij dat hooren zouden, wat hij met duidelijke stem zeide. 16. Het 
is een wijze eigen, niets te doen, waarvan hij berouw heeft. 

101 . 

1. Er is niemand, die de wijsheid van Socrates niet bewondert en 
prijst. 2. Wat is er, dat soldaten meer aanzet tot dapperheid, dan de 
hoop op overwinning en buit? 3. Deze leerlingen verdienden niet, beloond 
te worden. 4. Niemand scheen meer geschikt om over die tijden te 
spreken dan mijn vader. 5. Hij is [zoo] iemand, die nooit liegt, op wien 
gij altijd vertrouwen kunt. 6. Toen deze brief was voorgelezen, waren 
er senatoren, die er vóór waren ( censêre ), dat er een leger naar Africa 
gezonden werd {vert.: moest worden gezonden) en dat zoo spoedig 
mogelijk aan Adherbal hulp gebracht werd {vert. : moest gebracht worden). 
7. Er zijn weinig jaren geweest, voor zoover wij ons herinneren kunnen, 
waarin de Romeinen geen oorlog gevoerd hebben. 8. Is er iemand, die 
niet begrijpt, dat een staat zonder recht en wetten niet kan bestaan? 
9. Hij is iemand, die altijd wat te vragen heeft, maar hij is niet waard, 
dat ge hem antwoordt. 10. Wie uwer weet niet, wanneer Caesar geboren 
en vermoord is? 11. Wie is er, die niet weet, dat een oorlog voor 
eiken staat een ramp is? 12. Wij zien, dat zij, die geen redenaars hebben 
kunnen worden, bij de studie van het recht belanden (devenire). 13. Laat 
toe, dat zij, die alles van ons verwachten, ook zelf iets hebben, wat zij 
ons kunnen geven {tribuere). 14. Gaarne zou ik van {ex) u willen weten, 
waarom menschen, die uit steden in Italië ( municipium ) komen, u toe- 
schijnen vreemdelingen te zijn? 15. Wat hebt gij mij te verwijten? 

b. Met voegwoord. §§ 534 — 567* 

1, 2* In causale en voorwaardelijke zinnen. §§ 535 — 544, 638 b. 

102 . 

1. Deze dingen ga ik stilzwijgend voorbij, omdat ik ze zelfs nu niet 
zonder droefheid vermelden kan. 2. Aangezien gij ziet, dat gij ons niet 
bedriegen kunt, beken (maar), dat gij gelogen hebt. 3. Dewijl gij immers 
die redenaars zoo zeer prijst, zou ik wel gewild hebben, (dat) het hun 
vergund ware geweest, meer te schrijven. 4. Wij zijn thuis gebleven, niet 
omdat wij onze plannen veranderd hadden, maar omdat wij door ziekte 
werden teruggehouden. 5. Hij heeft mij een brief geschreven {dare ad ), 
niet omdat hij iets te zeggen had {vert. : had, wat hij . . .), maar om met 
mij in mijn afwezigheid te spreken. 6. Dit beweer ik: indieri deze 
oorlog niets om het lijf gehad had {vert.: te verachten geweest was), 


64 


zou het Romeinsche volk en de senaat hem niet met zooveel zorg 
voorbereid hebben, en zou de taak ( negotium ) om hem te beëindigen niet 
aan Pompeius opgedragen zijn. 7. Niet alleen moeten de hulpmiddelen, 
die wij hebben, niet verminderd worden, maar er moeten ook nieuwe 
bijeengebracht worden, als het kan geschieden. 8. Indien hij (inderdaad) 
niemand gekrenkt heeft, indien niemand hem gehaat heeft ( vert .: hij 
niemand tot haat geweest is), bidt en smeekt de aangeklaagde u, dat 
{ut) gij hem vrijspreekt, rechters. 9. Indien Catilina met zijn bende 
schurken hierover kon oordeelen, dan zou hij dezen man veroordeelen ; 
indien hij hem uit den weg kon ruimen (maar hij kan het niet!), zou 
hij hem dooden. 10. Zoo gij gisteren thuis gebleven waart, zoudt gij 
thans niet ziek zijn. 1 1 . Indien ik u geholpen heb, is het uw plicht thans 
mij te helpen. 12. Zeg nu, indien gij kunt, dat ik gelogen heb. 

103. 

1. Het is voor mij van geen belang, waar hij is; indien hij bij u is, 
zal hij (daardoor) ook bij mij zijn. 2. Als wij (werkelijk) van oordeel 
zijn, dat de góden voor alle menschen zorgen, dan zorgen zij ook voor 
ons en onze kinderen. 3. Gesteld dat hij dat schrijft, zult gij het dulden? 
4. Er zijn menschen, die alles, wat het ook zij, verdragen, mits zij slechts 
verkrijgen, wat zij wenschen. 5. Niets hebben zij geweigerd (te doen), 
mits hun goede naam maar niet gekrenkt werd {vert . : verminderde). 
6. Indien dat mij overkomen was, zou ik stellig niet blij zijn. 7. Als ik 
dat deed, waarin kunt gij mij (dan) ondankbaar noemen? 8. Begrijpt gij 
niet, gesteld het is een misdaad den dood van Caesar {vert.: dat Caesar 
gedood werd) gewild te hebben, dat het ook een misdaad is zich 
verheugd te hebben over den dood van dezen dictator? 9. Indien gij 
(wat mogelijk is) wist, hoe ik mij schaam over die daad van u, waar- 
over gij u zelf niet schaamt, dan zoudt gij anders handelen. 10. Aange- 
zien het mij voorkomt, dat gij {vert. : gij mij toeschijnt) die wetenschap 
van het recht aan uw hart drukt {osculari) als uw dochter, zal ik u 
bewijzen, dat zij deze [zoo] groote liefde niet waard is. 11. Indien Caesar 
aan het hoofd van onze troepen stond, zouden zij de overwinning behalen. 
12. Burgers, burgers, zeg ik, als het (althans) betamelijk (fas) is hen 
met dezen naam te noemen (pass.), denken zoo en hebben zoo gedacht 
over hun vaderland. 13. Bij het dingen naar het consulaat maken velen 
onzer gebruik van een namennoemer. Maar als het een eer {vert. : eervol) 
is, dat onze medeburgers door ons bij {vert.: met) hun naam genoemd 
worden, dan is het (toch eigenlijk) een schande {vert. : schandelijk), dat 
zij een slaaf meer bekend zijn dan ons. 

104. 

1. Indien mijn rede (inderdaad) te lang geweest is, worde haar lengte 
{vert.: zij) vergeleken met haar belangrijkheid {vert . : de grootte van 
haar nut). 2. Zij zeiden, dat niets zoo moeilijk was, wat zij niet gaarne 


65 


wilden doen, als het (ea res) den staat maar van schulden bevrijdde. 
3. Indien er in u eenige eerbied voor het heilige was, dan hadt gij dit 
altaar niet moeten schenden. 4. Gesteld ik kon dit doen, dan zou ik 
het (nog) niet willen. 5. Indien Cicero honderd jaar te voren gestorven 
ware, dan twijfel ik niet, of er ware een standbeeld voor hem opgericht 
(statueré). 6. Ik zal niet aarzelen heen te gaan en alles in den steek te 
laten, gesteld dit ware beter voor mijn vaderland. 7. Indien in de deugd 
genoeg kracht (praesidium) ligt (vert. : is) om (ad) goed te leven (en 
daaraan valt niet te twijfelen), dan ligt er ook genoeg (kracht) in om 
gelukkig te leven. 8. Indien hij in ballingschap is, zooals (sicuti) hij 
werkelijk is, wat eischt gijlieden (dan nog) meer? 9. Als hij komt, is 
het goed; zoo niet, dan is het nog beter. 10. Tenzij gij hem voor krank- 
zinnig houdt, kunt gij die verdenking tegen (dé) hem niet koesteren. 
11. Indien gij geld hebt, gebruik het goed; indien gij het niet hebt, 
veracht het (dan). 12. Indien er geen bloed te voorschijn komt, staat het 
vast, dat hij niet gewond is. 13. Zonder uw hulp zou ik onder den last 
bezweken zijn. 14. Indien dat uw meening is (vert.: gij zoo meent), 
kent gij heelemaal niet den weg (vert. : den geheelen weg), die tot roem 
leidt (door genet.). 15. Indien gij dat gedaan hadt, zoudt gij beter voor 
uw goeden naam gezorgd hebben. 

105. 

3 , 4 * In concessieve en comparatieve zinnen. §§ 544 — 548 . 

1. Er zijn menschen, die, wat zij meenen, al is het ook nog zoo goed 
(superl.), uit vrees voor afgunst niet durven zeggen. 2. Wij zullen uw 
brief niet openbaar maken, ofschoon wij het, door u getergd, naar recht 
konden (doen). 3. Waarom bedient gij u van deze getuigen, als ware 
de zaak twijfelachtig of duister? 4. Zij maken zich beangst, alsof hun 
eenig gevaar boven het hoofd hangt. 5. Wat ik u aangaande dezen 
vogelwichelaar schreef, dat raad ik u aan in het oog te houden, alsof 
uw eigen belang (res) op het spel stond. 6. Wat een mensch dikwijls 
ziet, daarover verwondert hij zich niet, ook indien hij niet weet, waarom 
het geschiedt. 7. Ik zal met u niet anders spreken, dan alsof mijn (eigen) 
broeder, die mij zeer lief is, op deze plaats stond (vert.: was). 8. Hoe- 
zeer gij zonder verstand zijt, kent gij niettemin en uzelf en het uwe en 
de uwen. 9. Ik verzoek u, dat gij, ofschoon dat alles u veel meer 
bekend is dan mij, toch, gelijk gij (trouwens) doet, oplettend toehoort. 

10. Hoe lastig gij ook zijt, ik zal nooit zeggen, dat gij slecht zijt. 

1 1 . Ik twijfel niet, rechters, of gij zult dezen man vrijspreken (coni. praes.), 
zelfs indien gij hem haat, zelfs indien gij hem tegen uw zin moet 
(vert.: zult) vrijspreken. 12. Zij meenen, dat zij toorn moeten veinzen 
(gerundiv.), ook al is deze niet aanwezig. 13. Zij deed, alsof er niets 
gebeurd (agere) was. 14. Gij doet precies, alsof ik naar hen (en) niet 
zij naar mij moesten (n.b.) komen. 15. Is deze man u bekend? Alsof 


66 


de edelste burger, de grootste veldheer der Romeinen ons onbekend 
was! 16. Alhoewel ik onrecht doe, doe ik het terwille van u en van 
den staat. 17. Ook als wij de overwinning niet (zullen) behalen, 
moeten wij dapper strijden. 18. Hoezeer hij op mij af gaf en kwaad 
van mij sprak, niemand heeft hem geloof geschonken. 19. Dat, wat ik 
gezegd heb, heb ik niet anders gezegd dan alsof ik zijn broeder was. 

20. Hoewel ik dat, wat ik het eerst moest doen, nog niet waag te doen, 
zal ik toch doen, wat ik in het belang van ( e ) den staat acht [te zijn]. 

21. Dat genot, hoe gering het ook is, is een deel van zijn leven. 

5 ♦ In finale zinnen. §§ 548 — 552 * 

106. 

1. Van staatswege worden ganzen en honden gehouden (alere) op het 
Capitool, opdat zij waarschuwen (vert . : te kennen geven), als er dieven 
komen (vert.: gekomen zijn). 2. Dit eene slechts wensch ik, dat ik bij 
mijn dood het Romeinsche volk vrij achterlate. 3. Gij vraagt mij, of 
(ecquid) ik (eenigermate) bevreesd ben voor Catilina. Volstrekt niet 
(vert.: niets); ik heb zelfs gezorgd, dat niemand hem vreesde. 4. Heeft 
het Romeinsche volk ons hierom tot consuls gekozen, opdat wij, op 
den hoogsten trap van eer (vert. : in de hoogste eer), den staat voor 
niets zouden achten? 5. Ik zal maken, Quirieten, dat ik datgene, wat 
ik in mijn consulaat verricht heb, als ambteloos burger in stand houd 
(tueri) en den glans ervan nog verhoog (vert.: en er glans aan toevoeg). 
6. De senaat besloot, dat de eene consul zou toezien, dat de staat 
geen schade leed. 7. Zij zonden gezanten, om den koning te ver- 
zoeken, dat hij hun aartsvijand niet bij zich zou houden. 8. Aan den 
consul werd toegestaan twee nieuwe legioenen te lichten. 9. Hij 
zal u aanraden, om van hier weg te gaan en mij geen woord te 
antwoorden. 10. Caesar gaf bevel, dat de vluchtelingen bij hem terug- 
gebracht zouden worden. 11. Hij bezwoer mij, nauwkeurig op te letten. 
12. Ik weet, dat gij mij zoekt te dooden. 13. Heb ik u daarom geld 
gegeven, opdat gij het misbruiken zoudt? 14. Laat gij u overhalen, om 
dien leugenaar te gelooven? 15. Men moet zich niet inspannen, om het 
verkeerde te doen. 16. Wilt gij mij veroorloven huiswaarts te gaan? 
17. Zij wilden ons overhalen, om bij hen te blijven. 

107. 

1. Alle weldenkende Romeinen waren bang, dat Catilina consul zou 
worden. 2. Zijt gij bang, dat gij voor (in) deze ontzettende misdaad een 
al te strenge straf (vert. : iets al te streng) schijnt vastgesteld te hebben? 
3. Vreezende door allen verlaten te (zullen) worden, zendt Indutiomarus 
gezanten naar Caesar. 4. De zaak staat zóó, dat er zeer groot gevaar 
bestaat, dat wij al deze provincies (zullen) moeten verliezen. 5. Wat staat 
u in den weg, om gelukkig te zijn? 6. Gij hebt belet, dat de benden 
weggeloopen slaven uit Italië naar Sicilië konden vertrekken. 7. Niets 


67 


verhindert (ons) nu te doen, wat ons het meest behaagt. 8. Ik doe dat 
niet, maar meen, dat het mij niet verboden ( interdicere ) is het te doen. 
9. Hij loopt gevaar ( vert hij komt in gevaar) te verliezen én dat, wat 
hem nagelaten is, én dat, wat door hem zelf verworven is. 10. De veld- 
heer was bang, dat hij den aanval der vijanden niet het hoofd zou 
kunnen bieden. 11. Was hij bevreesd, dat ik het niet doen zou (vert.: 
deed)? 12. Regulus heeft geweigerd in den senaat zijn meening te zeggen. 
13. Mijn soldaten zullen niet weigeren, om met mij en voor mij te 
sterven. 14. De grootste gevaren hebben mij nooit afgeschrikt, om mijn 
vrienden, wanneer zij in nood verkeerden (door partic.), te hulp te komen. 
15. Hiervoor ben ik het meest bevreesd, dat gij, den waren weg (die) 
tot roem (leidt) niet wetend, het roemvol acht, door al uw medeburgers 
te worden gevreesd. 16.0f(,4n) waart gij (soms) bang, dat wij u niet 
voor een schurk zouden houden? 


108. 

1. Alleen mijn vader vreesde nooit, dat mijn broeder niet van zijn 
reis zou terugkeeren (vert. : terugkeerde). 2. Nooit zullen wij vreezen, 
dat gij een dief wordt. 3. Ik zeg u dit, opdat gij het weet en niet ver- 
geet. 4. Caesar deed als dictator, alsof hij koning was; opdat hij geen 
koning zou worden, is hij vermoord. 5. Vrees maar niet (vert. : wil niet 
vreezen), dat zij niet komen. 6. Niets weerhoudt (u) om te vertrekken, 
maar ik vrees, dat gij niet gaat. 7. De gevaren der zee schrikken zeelieden 
niet af, om aan boord van hun schip (plur.) te gaan. 8. Hebt gij het 
gewaagd het bevel uit te vaardigen ( edicere ), dat niemand mijn ongeluk 
mocht betreuren (vert. : betreurde)? 9. Hij meent, dat hij de macht heeft 
om voor te schrijven (gerundiv.) niet alleen, dat er oorlog moet gevoerd 
worden, maar ook, welke oorlogen moeten gevoerd worden. 10. Hij vroeg 
mij, dit niet aan zijn ouders te zeggen. 11. Kunt gij eischen, dat ouden 
van dagen aan u, (die) jonger (zijt), gehoorzamen? 12. Deze vreemdeling 
wist van den praetor te verkrijgen (vert. : kreeg gedaan), dat hem het 
Romeinsche burgerrecht gegeven werd. 13. Haast u, soldaten, om de 
vluchtende vijanden in te halen. 14. Hij is iemand, die anderen benadeelt, 
om zelf eenig voordeel te behalen. 15. Cato van Utica heeft zelf een einde 
aan zijn leven gemaakt (< conficere ), om den ondergang van de republiek 
niet te aanschouwen. 16. Ik vermaan u, dat gij blijft bij (in) uw meening 
en niet bang wordt voor het geld of de bedreigingen van wien ook. 

6* In consecutieve zinnen . §§ 552—555, 651 1, 652 L 

109. 

1. De liefde tot het vaderland is zoo groot, dat ik zelfs uw legioenen, 
Antonius, heilig was, omdat zij zich herinnerden, dat het door mij gered 
was. 2. Deze onderbevelhebber gedroeg zich zóó in een zeer zwaren 
oorlog, dat hij vele belangrijke (vert. : groote) dingen zonder den opper- 


68 


bevelhebber heeft verricht. 3. Hier is het de plaats niet, om veel over den 
lof van dezen man te zeggen (pass.). 4. Er blijft (nog deze mogelijkheid) 
over, dat hij den moord door slaven begaan heeft. 5. Het is niet mogelijk, 
dat iemand te Rome is, als hij te Athene is. 6. Het trof zoo, dat wij 
samen op het land waren. 7. Daarbij komt, dat de ziel des te gemakkelijker 
na den dood uit deze atmospheer ( aër ) heengaat, omdat er niets sneller 
is dan de ziel. 8. Met luide stem, zoodat allen het hooren kunnen, zeg ik 
en zal ik altijd zeggen: helpt allen, die helpen kunt. 9. Gisteren is zijn 
vader gestorven. Daarbij komt, dat hij zelf zeer arm is, zoodat (hem) niets 
overblijft dan de hulp van anderen in te roepen. 10. Het is onmogelijk, 
dat hij tien jaar ouder is dan ik. 11. Is het u wel eens overkomen, dat gij 
iets vergeten hebt? 12. Bij de Grieken was het de gewoonte, dat de 
oudste jongen den naam kreeg van zijn grootvader. 13. Mij zelf is het 
overkomen, dat ik met twee patriciërs naar het consulaat dong. 14. Wien 
valt het ten deel, dat hij naar recht geprezen wordt? 15. Ik zie niet, dat 
het mogelijk is, dat gij zonder hem leeft (door carere). 16. Er blijft 
geen andere mogelijkheid over, dan dat wij allen hetzelfde willen. 
17. Daaruit volgt, dat alleen een wijsgeer den staat kan besturen. 

110 . 

1. Het is een oude wet van ware vriendschap, dat vrienden steeds 
hetzelfde willen. 2. Hebt gij zoozeer alle schaamte verloren, dat gij dit 
in dezen tempel hebt durven zeggen? 3. Hij heeft zooveel slaven, dat 
de heele omtrek van hun zingen dagelijks (adi.) weergalmt. 4. De plaats 
hebt gij voor dien ongelukkige zóó uitgekozen, dat hij van het kruis 
af (e) Italië kon aanschouwen. 5. Zóó zal ik met u spreken, dat ik niet 
door haat, maar door medelijden gedreven ( vert . : bewogen) schijn. 6. De 
Spartanen verachtten den dood zoo zeer, dat zij met vroolijk gelaat in 
den strijd gingen. 7. Zij sloten een verbond op die voorwaarde, dat 
de gevangenen zouden uitgeleverd {vert . : teruggegeven) worden. 8. Wij 
zullen geen gelegenheid verzuimen hem aan te manen, dat hij doet, wat in 
ons aller belang is. 9. Ik ben gisteren op het land geweest zonder mijn 
ouders te hebben gezien. 10. Zij is zoo doof, dat zij heelemaal niets 
hoort. 11. Hij is niet zoo blind, of hij ziet (wel) iets. 12. Is er wel 
iemand, die leeft zonder zorgen te hebben? 13. Maak, dat gij thuis 
komt. 14. Het scheelt niet veel, of mijn zoon is langer dan ik. 15. Nie- 
mand is zoo dapper, of hij wordt door een onverwachte gebeurtenis 
(res nova) in de war gebracht. 16. Zoo groote angst beving allen, dat 
velen óf door een vrij willigen dood öf door ballingschap de straffen, die 
hen bedreigden, voorkwamen. 

111 . 

1. Niemand was er in het heele vaderland, die dat niet wist. 2. Nooit 
zie ik deze kinderen aan, of ik herinner mij de verdiensten van hun 
vader jegens mij. 3. Wie is er onder u, die dat niet gelooft? 4. Geen 
dag laat ik voorbijgaan zonder dat ik daarover denk. 5. Er is niets, 


69 


wat gewaarwording heeft, of het ondergaat den dood ( interire ). 6. Nie- 
mand onzer is er, of hij weet, dat er tusschen u en hem geen vijandschap 
bestaat. 7. Het is er zoover van af, dat wij niet willen, dat er tegen ons 
geschreven wordt, dat wij dit zelfs zeer gaarne (maxime) wenschen. 
8. Is er wel iemand (ecquis), die geen tranen schreide, die niet meende 
dat hun ramp een gevaar voor allen (vert.: een gemeenschappelijk gevaar) 
beteekende (vert.: was)? 9. Geen dag gaat voorbij, zonder dat ik aan u 
een brief richt. 10. Hij kon zich zelf niet bewaren, zonder .tegelijk den 
staat en u te redden. 11. Ik ontken, dat er iemand uwer is, die dat 
niet tamelijk dikwijls gehoord heeft. 12. Het is er verre vandaan, dat zij 
u haten. 13. Hij zeide, dat hij niet kon nalaten te gehoorzamen aan de 
opdracht van zijn meester. 14. Het scheelde niet veel, of hij zag mij. 
15. Niemand heeft te Athene grooten roem verworven, zonder zijn 
medeburgers afgunst in te boezemen. 


112. 

7* In temporale zinnen. §§ 555 — 559, 653 — 656* 


1. Tiberius Gracchus zal geprezen worden, zoolang als de herinnering 
aan de daden der Romeinen zal bestaan. 2. De Spartanen waren sterk, 
zoolang de wetten van Lycurgus van kracht waren. 3. Horatius Codes 
heeft aan den aanval der vijanden weerstand geboden, totdat de overigen 
de brug hadden afgebroken. 4. Laten wij hier gaan zitten, totdat wij 
geroepen worden. 5. Ik denk hier te vertoeven, totdat ik op krachten 
gekomen ben (praes.). 6. Voordat zij (iets) van mijn aankomst hadden 
kunnen hooren, ben ik doorgereisd naar Macedonië. 7. Het is voor 
ons beiden van groot belang, dat ik u zie, vóórdat gij vertrekt. 8. Voor- 
dat gij begint, is er overleg (partic. perf. v. consulere) noodig. 9. Zoodra 
ik iets gehoord heb, zal ik het u schrijven. 10. Elk levend wezen be- 
mint zich zelf, zoodra het geboren is. 11. Toen (ubi) dit den praetor 
bericht was, beval hij den beschuldigde voor (ad) zich te brengen. 12. Ter- 
wijl dit hier plaats vindt (geri ) , zendt hij boden met het bevel (door 
imperare) de legerplaats onverwachts aan te vallen. 13. Zelf besloot 
Caesar intusschen in Gallië te blijven, totdat hij vernomen had, dat de 
legioenen de winterkwartieren hadden betrokken (vert. : geplaatst Waren in 
de w.). 14. Nadat de vijanden uit het nachtelijk rumoer begrepen hadden, 
dat de Romeinen hun legerplaats hadden opgebroken, wachtten zij hun 
komst af op een geschikt terrein. 15. De Gallische aanvoerder verklaart, 
dat hij door het gebied der Remi zal gaan, dat hij hun akkers zal ver- 
woesten en een aanval doen op de legerplaats van Labienus, voordat 
er hulptroepen komen (praes.). 16. Labienus verbood, dat iemand een 
ander (quis) zou verwonden, voordat hij gezien had (dat) Indutiomarus 
gedood (was). 


; 


70 


7a* In zinnen met cum* §§ 559 — 56 L 

113. 

1. Pompeius oordeelde, dat, hoewel hij door zijn overwinning alles 
bezat, wat de koning in zijn macht gehad had (tenere), de oorlog niet 
geëindigd was, voordat hij hem van het leven had beroofd (expellere). 
2. Wanneer wij naar Rome gezanten zenden (n.b.), zullen wij weten, 
wat de senaat en het Romeinsche volk willen. 3. Gij allen kent het 
bekende (woord) van Ovidius: „Zoolang het u welgaat (vert.: gij ge- 
lukkig zijt), zult gij veel vrienden hebben (vert. : tellen).” 4. Vijf dagen 
nadat hij vertrokken was, stierf zijn vader. 5. Gracchus liet de soldaten 
zweren, dat zij ter herinnering aan (vert. : gedachtig aan) hun lafheid 
staande hun voedsel zouden gebruiken (capere), zoolang zij dienden. 
6. Terwijl dit bij Beneventum plaats vond, brak Hannibal zijn leger- 
plaats op (en rukte) naar Nola, nadat (door partic.) hij het gebied om 
Napels had (laten) verwoest(en). 7. Toen (ubi) Iugurtha niet kon berei- 
ken (vert.: bewerken), dat hij Adherbal in zijn macht kreeg (vert. : zich 
van A. meester maakte), alvorens hij de gezanten opzocht, kwam hij 
met enkele ruiters naar onze provincie. 8. Hoewel er nooit te voren 
zulk een wet is geweest, heeft Piso gemeend, dat er nu zulk een wet 
moest voorgesteld (ferre) worden. 9. Daardoor dat gij tot mij komt, 
geeft gij te kennen, dat gij de lasterpraatjes van mijn vijanden niet gelooft. 

10. Er is een tijd geweest, dat (cum historicum) de menschen wijd en 
zijd over de aarde rondzwierven en geen vaste woonplaatsen hadden. 

11. Er waren nauwelijks vier dagen voorbijgegaan ( intercedere ), toen de 
gezanten onverrichter zake terugkeerden. 12. Hoewel hun gevangen 
makker geruimen tijd gemarteld werd, vluchtte niemand der samen- 
zweerders de stad uit: zooveel vertrouwen hadden zij op de trouw van 
hun vriend. 

114. 

1 . Themistocles wandelde des nachts, wanneer hij den slaap niet kon 
vatten, op den openbaren (weg) en antwoordde den vragers (partic.). 
dat hij door de zegeteekenen van Miltiades uit den slaap gehouden 
(vert. : gewekt) werd. 2. Phocion was zijn heele leven lang arm, hoewel 
hij schatrijk had kunnen zijn. 3. Wanneer wij den hemel aanschouwen, 
bewonderen wij Gods grootheid. 4. Zes boeken over den staat heeft 
Cicero*geschreven in den tijd, toen hij het roer van den staat in handen 
had (tenere). 5. Toen Scipio Africanus gestorven was en Q. Fabius 
Maximus op den dag van de begrafenis (vert. : op den laatsten dag 
van hem) de lijkrede hield (vert. : hem prees), dankte deze de onsterfelijke 
góden, omdat die beroemde man juist (vert.: het liefst) in onzen staat 
geboren was. 6. Veel heb ik gehoord, toen ik consul was, over de 
groote gevaren, waarin de staat verkeerde (door genet.). 7. Hoewel de 
aangeklaagde veel had, wat hem naar de stad, naar het forum lokte 
(vert. : veel aanloksels had), is hij weggebleven (abesse ab) uit uw oogen 


71 


en heeft zich zelf met ballingschap gestraft. 8. Ik zeg u, Catilina: 
„Verdwijn (vert.:g a) uit de stad, ga (vert. : vertrek) in ballingschap,” 
indien ge op dat woord wacht. En daardoor dat alle senatoren zich 
rustig houden, keuren zij (dit) goed, daardoor dat zij (dit) toelaten, 
nemen zij een besluit (vert.: besluiten zij), daardoor dat zij zwijgen, 
geven zij luide hun meening te kennen (vert.: roepen zij luide). 
9. Reeds waren de Treveri niet verder dan twee dagmarschen (vert.: 
dan een weg van twee dagen) van de legerplaats van Labienus ver- 
wijderd, toen zij vernamen, dat er twee legioenen gekomen waren, door 
Caesar te hulp gezonden. 10. Gebruik het leven goed, daar het zeer 
kort is. 11. Met een geleide van dappere mannen ben ik naar het 
Marsveld gegaan ( descendere ), opdat alle welgezinden het bemerken en, 
wanneer zij den consul in gevaar zagen, tot zijn bescherming zouden 
toeloopen. 12. Daar gij ziet, dat Hortensius, een man van zoo groot 
gezag, niet geaarzeld heeft, om de onschuld van den aangeklaagde te 
verdedigen, vraag ik, waarom dat mij niet vrij staat? 

Accusativus cum infinitivo en ut* Quod* §§ 581, 639 en 640* 

115. 

1. Wees ervan overtuigd (vert.: overtuig u), dat de staat de grootste 
verwachtingen van u heeft (vert. : de grootste verwachting van den staat 
in u is). 2. Ik zou er u van willen overtuigen, dat er góden zijn. 
3. Niemand zal mij overhalen, om liever met geweld dan met medelijden 
de proef te nemen. 4. Hij was overtuigd, dat zij loog. 5. Indien gij 
toegeeft, dat de deugd alleen ons leven gelukkig maakt (efficere), volgt 
daaruit, dat gij haar moet beoefenen. 6. Wij zijn beslist van meening, 
dat de godheid zonder handen en voeten bestaan kan. 7. Ik wil u (wel) 
toestaan, naar huis te gaan. 8. Een druk bezochte senaat(svergadering) 
heeft verordend, dat het mij vergund zou zijn uit mijn ballingschap 
terug te keeren. 9. Stel, dat allen zijn daad zullen goedkeuren: wat zult 
gij (dan) doen? 10. Een stem is gehoord van iemand, die vermaande 
(door partic.), dat de burgers zouden zorgen, dat Rome niet door de 
Galliërs werd genomen. 11. Wij herinneren er u aan, dat het leven den 
mensch gegeven is, om het goed te besteden (vert. : gebruiken). 12. Zegt 
gij dit, om mij te waarschuwen of om mij te misleiden? 13. Wij wenschen 
u geluk, dat gij uit de provincie behouden tot de uwen teruggekeerd 
zijt. 14. Gij hebt er goed aan gedaan, dat gij hem geholpen hebt. 15. Ik 
wensch u geluk, dat gij hier niet zijt (vert.: afwezig zijt). 16. Tusschen 
Sicilië en de overige provincies is dit onderscheid, dat aan de overige 
een vaste (certus) cijns is opgelegd. 17. Daar komt nog bij, dat ik meer 
van mijn vader houd, dan gij meent en dan hij zelf weet. 18. Dat men 
flinke mannen beloond heeft, prijs ik; dat gestraft zijn zij, die op alle 
manieren (ratio) hebben tegengewerkt, misprijs ik niet. 

WOLTJER en VAN bleek, Lat. Oef. II. * 


6 


72 


116. 

1. Deze troepen zijn daarom te prijzen, dat zij steeds voor de vrijheid 
van het Romeinsche volk hebben gestreden. 2. Ook dat betreur ik 
(moleste ferrë), dat Catilina door zoo weinigen begeleid, [uit] de stad is 
uitgegaan. 3. Hierbij (Huc) kwam, dat uw hebzucht gewoonlijk tamelijk 
verborgen was. 4. Toen de slag geleverd en de overwinning behaald 
was, heeft de veldheer zijn officieren en soldaten dank gezegd, dat zij 
zoo onverschrokken gestreden hadden. 5. Wat uw meening aangaat, 
dat uw belang ( causa ) ten zeerste met het mijne verbonden is, dat is 
een dwaling van u. 6. Wat uw bewering betreft, dat de menschen door 
niets anders er toe gebracht behooren te worden om (ad) een ambt 
(aan iemand) op te dragen dan door het aanzien (dat hij geniet), daar- 
aan houdt gij u (vert.: dat bewaart gij) zelf niet. 7. Wanneer ( vert .: Dat) 
gij mij aanmaant, om aan Caesar te schrijven, (zoo weet), ik heb hem 
reeds geschreven. 8. Door dit eene staan wij boven de dieren (Jerae),, dat 
wij spreken kunnen en door woorden (door dicere ) onze gewaarwordingen 
uitdrukken. 9. Ik spreek er (nu) niet van, dat gij alle gevaren, alle 
stormen mijns levens (vert.: van mij) met mij hebt getrotseerd. 10. Scipio 
beklaagde zich, dat de menschen in alle dingen nauwgezetter zijn dan 
in het uitkiezen van vrienden. 11. Het is het beste, dat gij zulke mannen 
nooit vertrouwt. 12. Wij laten daar, dat hij zoo iets zelf niet doen wil. 
maar het zou beter zijn, dat hij dit bekende. 13. Het is onverdragelijk, 
dat menschen, die denken over ons aller ondergang, in deze vergadering 
straffeloos aanwezig zijn. 

Vraagzinnen. §§ 642 — 651. 

117. 

1. Is dat uwe of onze schuld? 2. Wat moet ik doen? Moet ik de hulp 
van de onsterfelijke góden inroepen, van het Romeinsche volk, van u, 
rechters, die op dit oogenblik de hoogste macht hebt? 3. Was zijn vader 
(werkelijk) zóó krankzinnig, dat hij zonder grond hem haatte, dien hij 
het leven had geschonken? 4. Heeft Sextus Roscius zijn zoon die [zoo] 
schoone landgoederen gegeven bij wijze van (causa) straf? 5. Ik zeg, 
dat gij den vorigen nacht in het huis van M. Laeca geweest zijt (vert.: 
gekomen zijt naar): gij durft dat toch niet te ontkennen? 6. Hebt gij 
niet onlangs uw ontelbare misdrijven met een ongeloofelijke schanddaad 
bekroond? 7. Ik vraag u, of gij soms aarzelt op mijn bevel (door abl. 
abs.) dat te doen, wat gij uit eigen beweging reeds bezig waart te doen. 
8. Als consul beveel ik u de stad te verlaten. Gij vraagt mij : „In balling- 
schap soms?” Dat beveel ik niet, maar, als gij mijn raad vraagt, raad 
ik het u aan. 9. Hopen zij misschien, dat zij op de puinhoopen 
(vert.: asch) van de stad consul, ja koning zullen worden? 10. Wij 
vroegen hen, of zij soms van plan waren hun vrouwen naar de leger- 
plaats mee te nemen (ducere). 11. Acht gij hem (werkelijk) uws gelijke? 


73 


12. Is de kennis van het burgerlijk recht den redenaar van geen nut? 

13. Waart gij alleen afwezig? 14. Schaamt gij u niet, als verstandig 
man dit te zeggen? 15. Zij vroegen ons, of wij niet meenden, dat er 
gevaar bestond, dat zij niet levend terug zouden keeren. 16. Indien ik 
eens de namen wilde noemen van menschen, die deze schilderijen duurder 
gekocht hebben, kan ik (dat) niet? 17. Lijkt een hond niet op een wolf? 
18. Wij zijn toch niet bang voor Iuppiter, (wanneer hij) boos (is)? 

118. 

1. Ik heb aan Catilina gevraagd ( qmerere ), of hij in de nachtelijke 
bijeenkomst bij Laeca geweest is, of niet. 2. Ik heb de brieven aan 
Lentulus getoond en gevraagd, of hij het zegel herkende. 3. Wat ver- 
hindert u toch eigenlijk (tandem)? De gewoonten onzer voorvaderen? 
Of misschien de wetten, die de straffen bepalen voor (vert.: gegeven 
( ferre ) zijn over de straffen van) Romeinsche burgers? 4. Zijn dit uwe 
woorden of niet? 5. Gevraagd werd, of dit waar was of niet. 6. Vele 
menschen zijn in twijfel, of er góden zijn of niet. 7. Heb ik u uw 
vaderlijk erfdeel ontnomen of hebt gij het zelf opgemaakt? 8. Ik kan 
niet zeggen, of hij zelf dwaalt of anderen op een dwaalspoor (error) 
leiden wil. 9. Wat maakt het voor verschil, of hij de stad bestormt of 
de bolwerken van de stad? 10. Voor niets is hij bevreesd. Of is hij 
misschien bang voor de haat van het nageslacht? 11. Ik weet niet, of 
mij dat wel ooit overkomen is. 12. Wanneer ik Plato uitzonder (door 
abl. abs.), weet ik niet, of ik Aristoteles niet met recht den vorst der 
wijsgeeren kan noemen. 13. Lang heb ik getwijfeld, of het moeilijker 
was dit te bevestigen of te ontkennen. 14. Ik twijfel, of mijn broeder 
niet gesneuveld is. 15. Ik weet niet, of ik de kennis van dezen man 
wel boven (die van) andere mannen moet stellen. 16. Misschien is het 
wel niet eerlijk. 17. Wij weten niet, of iemand wel zoo dom is, dat hij 
dergelijke dingen voor waar houdt. 18. Twijfelt gij, of hij wel ooit terug- 
komt? 19. Of zoo iets goddeloos is of niet? Wij weten het niet. 20. Gij 
hebt verkeerd gehandeld. Of is het geen ernstige fout, niet te luisteren 
(parêre) naar den raad van goede vrienden? 

Consccutio temporum* §§ 561 — 567^ 

119. 

1» Ik vraag, met welk recht, krachtens welke wet de goederen van 
dezen man verkocht werden. 2. Dit is voor niemand meer (iam) twijfel- 
achtig, hoe (vert.: wat) hij over de heele geschiedenis (res) oordeelde. 
3. De Haedui zijn de eenigen, die geen gijzelaars willen geven. 4. Zij 
zijn bang, dat wij hen zullen zien en tegenhouden. 5. Wij weten niet 
wanneer hij komen zal. 6. Wist gij, wanneer ik komen zou? 7. Ik heb 
mij zoo gedragen, Quirieten, dat gij allen bewaard gebleven zijt. 
8. Ariovistus had zulk een aanmatigende houding aangenomen (vert.: 


74 


zoo groote aanmatiging (aan)genomen), dat hij onverdragelijk (vert.: niet 
te verdragen) scheen. 9. Indien gijlieden niet begrijpt (vert.: begrepen 
zult hebben), dat er geen recht zoo heilig en zoo onaantastbaar ( integer ) 
is, hetwelk hij niet schond, oordeelt (dan maar), dat hij een beste man 
is. 10. Hoort de rest, opdat gij begrijpt, dat geen misdrijf kan verzonnen 
worden, waarmee hij ( iste ) zich niet bezoedelde. 11. Ik heb in den 
beginne gezegd, dat ik niet meer (neutr. plur.) over hunlieder (iste) 
misdaad wilde zeggen, dan (waartoe) de noodzakelijkheid mij dwong. 
12. Het is het werk van een grooten schurk, alle vriendschap(sbanden) 
door te snijden en tegelijk hem te bedriegen, die niet benadeeld (laedere) 
zou zijn, indien hij (hem) niet geloofd had. 13. Indien gij hem, die 
(zijn) deel van den buit kreeg, met eigen oogen aanschouwt (futur.), 
zult gij (dan nog) kunnen twijfelen, wie de aangifte deed? 14. Sommigen 
meldden Caesar, dat de soldaten niet gehoorzamen zouden, indien hij 
beval (n.b.), de legerplaats op te breken. 15. Ik zal mij zoo gedragen 
(tractare), dat ik mij steeds herinneren zal, wat ik als consul verrichtte. 

120 . 

Oratio obliqua* §§ 618 — 62L 

1. Caesar zond gezanten naar Ariovistus, die hem moesten vragen, 
om een plaats midden tusschen (genet.) beide legers in uit te kiezen 
voor een onderhoud: hij wilde (zoo liet hij zeggen) met hem over hun 
beider hoogste belangen (res) spreken (agere). 2. Ariovistus eischte, dat 
Caesar geen enkelen voetknecht tot dat onderhoud zou meebrengen : hij 
was bang (zeide hij),, dat hij verraderlijk (vert. : door een hinderlaag) 
zou omsingeld worden; beiden moesten alleen met de ruiterij komen, 
anders kwam hij niet. 3. Toen de veldheer de gezanten bij zich in de 
legerplaats zag (plusq. perf.), riep hij in tegenwoordigheid van (door 
abl. abs.) het leger: waarom zij tot hem kwamen? Of misschien om te 
(causa) spionneeren? 4. (Hij antwoordt:) ,,Ik ben niet uit mij zelf den 
Rijn overgekomen, maar door de Galliërs ontboden; en niet ik heb 
den Galliërs, maar de Galliërs hebben mij den oorlog verklaard; ik ben 
echter bereid een beslissenden slag te leveren, ais zij het erop willen 
laten aankomen”. 5. (Hij zeide:) „Gijlieden hebt nu de gelegenheid, die 
gij gewenscht hebt; legt nu dezelfde dapperheid aan den dag ( praestare ), 
die gij (zoo) vaak getoond hebt en denkt (maar), dat uw veldheer per- 
soonlijk (coram) aanwezig is”. 6. (Hij antwoordde:) „Het is het recht 
van den oorlog, dat zij, die overwinnen, aan hen, die zij overwonnen 
hebben, (kunnen) bevelen, wat zij willen”. 7. (Hij antwoordde:) „Indien 
ik iets van Caesar noodig heb, kom ik zelf (wel) bij hem”. 8. (Hij ant- 
woordde:) „Indien ik iets van Caesar noodig had, kwam ik zelf (wel) 
bij hem.” 9. (Caesar dacht:) „Zonder strijd kan ik mijn doel bereiken: 
waarom zou ik dan het leven van mijn soldaten op het spel zetten?” 
10. (Zij antwoordden Caesar:) „De Rijn is de grens (door finire) van 


75 


het Romeinsche rijk; indien gij het verkeerd ( non aequus ) acht, dat de 
Germanen tegen uw zin die rivier overtrekken, waarom eischt gij dan 
eenige (quicquam) macht aan de overzijde van den Rijn?” 

Herhaling. 

121 . 

1. Op geen andere plaats zijn of worden zooveel schilderijen verkocht. 
2. De tempels der góden zijn altijd gespaard, hoewel onze legers vele 
openbare gebouwen met den grond gelijk gemaakt hebben. 3. Caesar 
zeide, dat de aanvoerders zelf een afkeer hadden gehad van den vrede. 
4. Het is moeilijk te zeggen, hoezeer vriendelijkheid en hartelijkheid in 
(genet.) het gesprek de harten (animus) der menschen wint. 5. Plato 
heeft Socrates boven alles (unice) lief gehad ( diligere ). 6 . Uit uw woorden 
heb ik begrepen, wat er gedaan moet worden. 7. Dit toeval heeft zijn heele 
plan verijdeld (perimere). 8. Die rede is verouderd, door de feiten (res) 
veel meer dan door woorden reeds lang weerlegd. 9. Maak dat water warm, 
ik zal mij baden. 10. Toen Dionysius door de omstreken van Leontini 
reed, is een zwerm bijen in de manen van zijn paard gaan zitten. 1 1 . Doe 
die zaak af, het is tijd, dat wij iets anders beginnen. 12. Epaminondas 
beval, toen hij gehoord had, dat de vijanden verslagen waren, de lans, 
die hem doorboord had, uit de wond te trekken. 13. Wanneer de smart 
u doorvlijmt (futur. exact.), zult gij het dan niet standvastig dragen? 
14. Anderen hebben hun goederen in bezit genomen. 15. Hij zal ten 
slotte wel bekennen, dat hij van plan was hem van het leven te berooven. 
16. Het vorige jaar hebben wij niet geoogst, daar de sprinkhanen alles 
hadden afgevreten. 17. Vele aderen en slagaderen zijn in het vleesch van 
ons lichaam (als) ingeweven. 18. Er zijn wijsgeeren, die leeren, dat alle 
deugden onderling zóó verbonden (con[n]ectere) zijn, dat de eene van de 
andere niet kan gescheiden worden. 

122 . 

1. Calanus, een Indiër, heeft zich ten tijde van Alexander den Groote 
vrijwillig levend laten verbranden. 2. De vijand is langs een anderen 
weg, dan wij meenden, dat hij komen zou, ons land binnengeslopen 
(irrepere). 3. Ik verwonder mij er over, dat er iemand is, die zich wijs- 
maakt (persuadêre) , dat deze [zeer] schoone wereld uit een toevallige 
samenstooting van lichamen tot stand komen ( efficere ) kan. 4. Hij 
neemt het mij niet kwalijk, dat ik ontken, wat ik op den dag van gisteren 
gezegd heb. 5. Cicero zegt, dat de geneesheeren, ofschoon zij het 
dikwijls (wel) weten, toch nooit aan de zieken mededeelen, dat zij sterven 
zullen. 6. Gij hadt hem niet moeten prikkelen, daar hij een lastig 
mensch is. 7. Op geen andere stad vertrouwende, begaf Dolabella zich 
naar Laodicea, een stad in Syrië aan zee gelegen. 8. Wanneer hij het 


76 


proces wint, zullen gij en ik althans hem voor onschuldig houden. 

9. In deze zaak van u zal ik mij niet minder inspannen, dan ik mij 
ingespannen heb in mijn eigen zaak. 10. De ziel herkent vele dingen 
door (ze) zich te herinneren (reminisci). Plato beweert zelfs, dat leeren 
niets anders is dan zich herinneren (recordari). 1 1 . Al wat ontstaat, 
hoedanig het ook moge zijn, heeft een oorzaak. 12. Caesar beval een 
deel der ruiterij den vijand in den rug aan te vallen. 13. Het volk riep 
Numa Pompilius met voorbijgaan (door abl. abs.) van eigen burgers, 
naar Rome, om ( ad ) te regeeren. 14. Bij het verkoopen van een slaaf 
moeten zijn gebreken genoemd worden. 15. Gevraagd wordt, wie hem 
als bode zond? 


123. 

1. Ik heb geen reden, om (vert . : ik heb niet, dat ik . . .) vertoornd te 
zijn, zeide Socrates, op hen, door wie ik aangeklaagd en veroordeeld 
ben, tenzij voor zoover zij gemeend hebben mij kwaad te kunnen doen. 

2. Ik vrees niet, dat gij op hem vertoornd zijt; dat vrees ik, dat gij 
vermoedt, dat hij op u vertoornd is. 3. Hij heeft zijn geheugen geoefend 
door veel van buiten te leeren, gedachtig aan de woorden van Cicero, 
dat het geheugen vermindert, wanneer men het niet oefent. 4. De over- 
looper beloofde, zooals hij heimelijk gekomen was, evenzoo (weer) terug 
te keeren. 5. Door de ruiterij teruggedreven, hadden de vijanden zich 
in de bosschen verborgen (abdere). 6. Mijn vriend heeft verdriet van 
zijn kinderen gehad; daaraan kan niet getwijfeld worden. 7. Het ongeluk 
van den soldaat is voor zijn moeder verzwegen. 8. Maak een einde aan 
dat gesprek. 9. De roovers bedreigden hun gevangenen met den dood. 

10. Zijt gij overtuigd, dat deze dieven niet gespaard moeten worden? 

11. De zoon van Cicero heette Marcus, en zijn dochter Tullia. 12. Hebt 
gij dat om mijnentwil of om uwszelfs wil gedaan? 13. Deze soldaten 
waren de dapperste, die wij in den slag zagen. 14. Gij hebt meer moed, 
schijnt het, dan beleid. 15. Hij schijnt een man van geld te zijn. 16. Het 
zal in ons beider belang zijn, te weten, hoeveel het koren kost. 17. Van 
zorgen bevrijd, ging hij over zee naar Napels, en vandaar langs de via 
Appia naar zijn landgoed (vert.: naar het land). 18. Waarom hadden de 
Romeinen zoo groote legers noodig? 19. In dapperheid overtroffen de 
Spartanen alle andere Grieken. 20. Er hangen vruchten genoeg aan 
den boom. 


124. 

1. Van soldaat is hij boer geworden. 2. Hij liet 20 schepen bouwen. 

3. Waarom laat gij hem dat doen? 4. Bij zoo groote domheid dezer 
leerlingen is het niet mogelijk, dat zij [de] Latijn[sche taal] leeren. 

5. Onder luid gejuich trokken de soldaten de veroverde stad binnen. 

6. Deze jongen heeft de namen van alle consuls, voor zoover zij bekend 


77 


zijn, in zijn geheugen. 7. Wien dezer soldaten acht gij geschikt, om 
officier te worden? 8. De veldheer beroemde zich op zijn krijgsdaden, 
alsof hij altijd overwinnaar geweest was. 9. Hij heeft mij overgehaald 
om met hem een reis naar Athene te maken, omdat hij overtuigd is, 
alleen niet te kunnen reizen. 10. Zijt gij bang, dat gij gestraft zult 
worden? 11. Zelfs als gij mij haat, zal ik u lief hebben. 12. Hoe geleerd 
gij ook zijt, dat weet gij niet. 13. De priesters hebben den koning ver- 
maand, den droom niet te vergeten. 14. Dappere soldaten moeten niet 
vragen, hoeveel vijanden er zijn, maar waar zij zijn. 15. Indien het niet 
geregend had, zouden de boomen niet gegroeid zijn. 16. De Romeinen 
besloten in de legerplaats, te blijven, totdat de vijanden geland waren. 
17. Door hevige stormen werd Caesar verhinderd, om van Brundisium 
zijn leger over zee te voeren. 18. Wij vreezen, dat niet de schuldige, 
maar een onschuldige gestraft wordt. 19. Ik ben niet zoo iemand, 
dat ik de deugden van anderen verklein. 20. De Perzen zeiden tegen 
de Spartanen: ,, Vanwege de menigte van onze werptuigen zult gijlieden 
de zon niet kunnen zien.” 

125. 

1. De Galliërs hadden het Capitool reeds beklommen, toen Manlius 
door het gekakel ( clangor ) der ganzen gewekt werd. 2. Het was midder- 
nacht, toen er plotseling een hevige brand uitbrak (exoriri). 3. Telkens 
wanneer een gevaarlijke oorlog geëindigd was, werd te Rome door den 
senaat een dankdag (gratulatio) uitgeschreven ( vert .: vastgesteld). 
4. Agesilaus streed met groot geluk in Azië tegen de Perzen, totdat hij 
door de ephoren naar huis teruggeroepen werd. 5. Dikwijls berispen 
wij een redenaar, daardoor dat wij zwijgen. 6. Niemand heeft M. Cato, 
den bekenden grijsaard, hoewel deze talrijke vijanden had, niemand heeft 
dit zelfs ( ipse ) onzen Marius, hoewel velen hem benijdden, ooit verweten. 
7. Ik voor mij verheug mij zeer, dat ik zoo iemand ben, dat gij mij 
(vert.: naar wien gij) geen enkel smaadwoord (naar het hoofd) hebt 
kunnen werpen, hoezeer gij dat wenschtet. 8. Zij mogen voor zich eer- 
ambten, provincies, triumfen, aanzien, en roem hebben, mits het mij 
maar geoorloofd is in vrede (vert.: met een kalm gemoed) te genieten 
van den aanblik dezer stad, die ik gered heb. 9. Scipio moge beroemd 
zijn en Marius en Pompeius: stellig zal er ook een (aliquid) plaats zijn 
voor onzen roem, tenzij het wellicht belangrijker (vert. : grooter) moge 
zijn, nieuwe provincies voor ons open te stellen, dan te zorgen, dat zij, 
die afwezig zijn, als overwinnaars kunnen terugkeeren (vert. : hebben, 
waarlangs zij . . .). 10. Toen Catilina de stad uitging, Lentulus in de stad 
werd achtergelaten, toen alles door de samenzweerders werd voorbereid, 
waar was (toen) Sulla? Te Rome soms? Hij was er ver vandaan. 
Misschien daar, waar Catilina zich heen begaf (se inferre)? Hij was 
nog veel verder weg. Hij was te Napels, een stad, waarop geen ver- 
denking rust (vert. : die alle verdenking mist). 


78 


126. 

1. Het is onzeker, of de stad meer te lijden heeft ( urgeri ) van het 
zwaard of van den honger. 2. Ik zou wel gewild hebben, (dat) én wat 
ik nu schrijf, én dat, waarover ik in den senaat meermalen geklaagd 
heb, onwaar ( vanus ) was. 3. De stellingen der Stoïcijnen zijn van dezen 
aard: dat een wijze zich nooit door gunst laat leiden, nooit een misdrijf 
van wien ook vergeeft; dat niemand medelijdend is dan een dwaas en 
een lichtzinnige; dat het niet behoort bij een man, zich te laten 
verbidden, dat alleen de wijzen, indien zij nog zoo (superl.) mismaakt 
zijn, schoon, indien zij de grootste bedelaars zijn, rijk, indien zij als 
slaven dienen, koningen zijn; dat zij, die geen wijzen zijn, weggeloopen 
slaven, ballingen, waanzinnigen zijn; dat alle zonden gelijk zijn; dat iedere 
verkeerde daad een misdaad is; en dat niet minder verkeerd handelt 
hij, die een haan, wanneer het niet noodig is, wurgt, dan hij, die zijn 
vader de keel toeknijpt; dat een wijze nooit er alleen maar een meening 
op na houdt (vert . : niet meent), van niets berouw heeft, zich in niets 
vergist, nooit van meening verandert. 4. Ariovistus antwoordde Caesar: 
wanneer hij wilde, moest hij maar slag leveren; dan zou hij ervaren, 
wat de onoverwinnelijke (vert.: onoverwonnen) Germanen door hun 
dapperheid vermochten. 5. Dan eerst zult gij gedood worden, Catilina, 
wanneer er niemand meer, (al is hij nog zoo) slecht, gevonden zal 
kunnen worden, die niet erkent dat het terecht geschied is. 6. Indien 
mijn slaven zoo bang voor mij waren, als al uw medeburgers u 
vreezen, dan zou ik meenen mijn huis te moeten (gerundiv.) verlaten: 
(en) vindt gij (nu) niet, dat gij Rome moet verlaten? 

127 

1 . Toen Caesar op den 15 den Maart zich naar den senaat begaf, groette 
hij onderweg een zijner vrienden, die hem gewaarschuwd had, om voor dien 
dag op zijn hoede te zijn, terwijl hij uitriep: ,,De 15 de Maart is gekomen”. 
Deze antwoordde: ,,Hij is gekomen, maar nog niet voorbij [gegaan]”. 
2. Daar de jeugd de tijd is om te leeren en door ouderdom het geheugen 
vermindert, volgt daaruit, dat jonge menschen de gelegenheid om te 
leeren niet behooren te verwaarloozen. Het is er echter ver vandaan, 
dat zoo iets altijd gebeurt. Daardoor (Quo) komt het, dat velen later 
berouw hebben, en toegeven, geen goed gebruik (vert . : misbruik) te 
hebben gemaakt van de gelegenheid, hun gegeven. 3. Iemand, naar zijn 
vaderstad teruggekeerd, vanwaar hij eenige jaren afwezig was geweest, 
beroemde zich op zijn groote daden. (Zoo) vertelde hij, op het eiland 
Rhodus in het springen allen de baas te zijn geweest. Zelfs (ipse) wees 
hij de lengte van den sprong aan en beweerde, dat hij alle Rhodiërs tot 
getuigen hiervan had. Toen zeide een van zijn vrienden: „Indien gij de 
waarheid vertelt, hebben wij geen getuigen noodig. Denk (maar) dat het 
hier Rhodus is, spring hier (maar)”. 4. De redenaar Piso had zijn slaven 
bevolen, alleen op zijn vragen (vert . : wanneer hij vroeg) te antwoorden. 
(Nu) gebeurde het, dat hij Clodius tot den maaltijd genoodigd had. Het 


79 


uur van den maaltijd was gekomen, de andere gasten waren aanwezig, 
alleen Clodius verscheen niet. Toen Piso lang gewacht had en aan de komst 
van Clodius wanhoopte, zei hij tot zijn slaaf: ,,Ik geloof, dat gij Clodius 
niet uitgenoodigd hebt.” Deze antwoordde: „Ja wel.” „Waarom komt 
hij dan niet?” „Hij was verhinderd te komen.” „Waarom hebt gij dit 
niet dadelijk gezegd?” „Omdat gij het mij niet gevraagd hebt.” 

128. 

Na den slag bij Cannae is een deel der Romeinsche soldaten, voor 
zoover zij niet gewond waren, naar Canusium gevlucht. En toen zij daar 
(en . . . daar = quö) gekomen waren en gehoord hadden, dat de ééne 
consul nog leefde, zonden zij dadelijk een bode, die vragen moest, of 
zij te Canusium blijven of naar Venusia komen zouden. De consul 
Varro kwam echter zelf met zijn troepen naar Canusium en zoo is het 
geschied, dat daar een niet gering deel van een consulair leger was. 

Maar te Rome meende men, dat zelfs dit overschot van burgers 
en bondgenooten niet in leven was, maar de beide consuls met hun 
legers waren omgekomen. Nooit is er, van de stichting der stad af, 
zooveel angst en verwarring binnen de wallen van Rome geweest, en 
velen waren overtuigd, dat het einde van het Romeinsche rijk gekomen 
was, want zij twijfelden niet, of Hannibal zou, nu de legers vernietigd 
waren, naar Rome komen, om de stad te bestormen en in te nemen. 

Te dierzelfder tijd kwamen tien der krijgsgevangenen, wien Hannibal 
de gelegenheid gaf om zich los te koopen (redimere), naar Rome. Toen 
deze in den senaat hadden uiteengezet, waarom zij gekomen waren, 
heeft Manlius Torquatus, een man van ouderwetsche gestrengheid, naar 
zijn gevoelen (vert . : wat hij van gevoelen was) gevraagd, als zijn oordeel 
uitgesproken ( censere ), dat zij niet moesten losgekocht worden, maar dat 
ook niet aan Hannibal moesten uitgeleverd worden zij, die uit diens 
legerplaats ontvlucht waren. Zoo is het geschied en de soldaten zijn 
onverrichterzake teruggekeerd. 

129. 

Er is misschien geen volk geweest, dat meer oorlogen gevoerd heeft, 
dan het Romeinsche volk, zoodat bij hen de vrede zeldzamer geweest 
is dan de oorlog. 

In een van deze oorlogen is het geschied, dat zij de bewoners van Veii 
tot vijanden hadden, en deze oorlog zou eindeloos (vert . : zonder einde) 
geweest zijn, indien niet de gens Fabia het haar taak geacht had, een 
einde eraan te maken. Het gerucht hiervan (vert.: dit gerucht) verspreidde 
zich door de geheele stad en allen prezen de Fabii ten zeerste. 

De Fabii rustten zich ten oorlog en kwamen samen, waar het hun 
geboden was (vert. : waarheen zij bevolen waren). Toen zij de stad uit 
rukten, baden allen, dat de góden hen ongedeerd en zegevierend 
zouden doen terugkeeren (restituere ) . 

Toen zij bij de rivier de Cremera waren gekomen, sloegen zij een 


80 


versterkt kamp op. De bewoners van Veii, vreezende, dat zij verslagen 
en vernietigd zouden worden, besloten den vermetelen vijand een hin- 
derlaag te leggen: zij vluchtten weg in geveinsde vrees. 

De Fabii echter, vertrouwende op hun dapperheid, volgden wijd en 
zijd verspreid den vluchtenden vijand. Toen zij echter de hinderlaag 
voorbij waren (superare), rezen er plotseling van achteren en van beide 
zijden vijanden op, zoodat hun niets anders overbleef, dan zich over te 
geven of te sterven. Dit (laatste) deden zij ; en zoo zijn zij allen tot 
den laatsten man toe gesneuveld. 

130. 

[Over] Gyges, koning der Lydiërs. 

Van (dê) Gyges, den koning der Lydiërs, wordt door oude schrijvers 
het volgende verhaal verteld. Gyges was een herder van een koning 
van Lydië, wiens naam was Candaules. Toen door zware (vert. : groote) 
regenbuien en aardbevingen eens de aarde gescheurd was ter plaatse, 
waar Gyges het vee weidde, vertoonde zich (vert.: werd gezien) een 
kloof of (eigenlijk) een hol. Door nieuwsgierigheid (vert.: begeerte om 
te zien) gedreven daalde Gyges in dat hol af en zag een metalen paard, 
in welks zijde een deur was. Nadat hij deze ontsloten had, zag hij in 
het paard, (dat) hol (was), het lichaam van een dooden man, dat grooter 
leek, dan menschenlichamen gewoonlijk zijn. Aan den vinger van den 
doode echter zat een gouden ring, dien Gyges eraf trok en zelf aan- 
deed (induere). Toen verliet (evadere e) hij het hol, om een bijeenkomst 
der herders bij te wonen. 

Toen hij nu, in deze vergadering gezeten, toevallig de kas van 
den ring naar binnen gedraaid had, werd hij door niemand gezien: hij 
hoorde de gesprekken zijner (mede)herders over hem, alsof (hij) afwezig 
(was), en toch was hij er (adesse). Toen hij vervolgens den ring in zijn 
vroegeren stand (locus) had (terug)gedraaid, zagen zijn makkers hem 
weer (vert. : was hij zichtbaar). 

Meermalen herhaalde hij deze beweging en steeds gebeurde hetzelfde: 
telkens wanneer hij den ring naar binnen gedraaid had, werd hij niet 
gezien, telkens wanneer hij hem op zijn plaats gedraaid had, werd hij 
gezien. 

Onmiddellijk overwoog hij bij zich zelf, hoezeer die wonderring (vert.: 
verwonderlijke ring) hem van nut kon zijn, daar hij alle misdrijven kon 
begaan zonder betrapt te worden. 

Derhalve vroeg hij zijn makkers, om hem te kiezen onder de boden, 
die naar den koning gezonden werden. En toen dit geschied was, begaf 
hij zich naar het koninklijk paleis, waar hij dank zij (vert.: door de 
weldaad van) den ring de gunst van de koningin wist te winnen (vert.: 
voor zich gewonnen heeft), met wie(r hulp) hij koning Candaules doodde, 
zonder dat iemand hem bij dit misdrijf zien kon. 

Zoo heeft Gyges het koningschap over Lydië gekregen. 


SPREEKWOORDEN EN SPREUKEN. 


A radice m&la non procedunt bona mala. 

Ab alio exspectes, alteri quod feceris ( Publilius Syrus). 

Ablata iustitia quid simt regna, nisi magna latrocinia? 

Ad mala patrata sunt atra theatra parata ( Opschrift van de folterkamer 
in Neurenberg). 

5. Ad vindictam tardus, ad beneficentiam velox ( Leus van Hendrik den 
Vogelaar). 

Addiscunt iuvenes quod cecinere senes. 

Adhuc sub iudice lis est (Horatius). 

Aedificia et lites pauperiem faciunt. 

Aequam memento rebus in arduis servare mentem (Horatius). 

10. Aetate rectius sapimus. 

Alea iacta esto (Caesar). 

Aliis inserviendo consümor. 

Aliud est dicere, aliud est facere. 

Aliud ex alio malum gignitur. 

15. Allidor, non laedor (Gedenkpenning op den ondergang der onoveriv. vloot ) . 
Alteri vivas oportet, si vis tibi vivere (Seneca). 

Altissima quaeque flumina minimo labuntur sono. 

Ama Deum et serva mandata. 

Amicus Plato sed magis amica veritas (Cervantes). 

20. Ars longa, vita brevis (Seneca), 

Audacter calumniare, semper aliquid haeret. 

Audiatur et altera pars (Seneca). 

A(ustriae) e(st) i(mperare) o(rbi) u(niverso) (Leus van Keizer Frederik III). 
Aut prodesse volunt aut delectare poetae (Horatius). 

25. Ave, imperator, morituri te salutant (Suetonius). 

Bene vixit qui bene latuit (Ovidius). 

Bis dat qui'dto dat (Publilius Syrus). 

Bonus vir semper tiro (est) (Martialis). 

Caelum, non animum mutant, qui trans mare currunt (Horatius). 

30. Cedant arma togae (Cicero). 

Cessante causa cessat effectus. 

Cito rumpes arcum, semper si tensum habueris (Phaedrus). 

Concordia parvae res crescunt ; discordia maximae dilabuntur (Sal- 
lustius). 

Conscia mens recti famae mendacia ridet. 

35. Conscius ipse sibi de se putat omnia dici ( Cato ). 

Consultatione re peracta nihil opus. 

Contra vim mortis non nascitur herba in hortis. 

Corrumpunt bonos mores colloquia prava (Naar Menander). 


82 


Crescentem sequitur cura pecuniam (Horatius). 

40. Cuiusvis hominis est errare, nullius nisi insipientis in errore perse- 
verare (Cicero). 

Dici beatus ante obitum nemo debet ( Ovidius ). 

Dimidium facti qui coepit habet (Horatius). 

Disce ut semper victurus, vive ut cras moriturus. 

Diuturna quies vitiis alimenta ministrat. 

45. Dives est qui sibi nihil deesse putat. 

Dolori cuivis remedium patientia. 

Dum Roma deliberat, Saguntum perit (Livius). 

Duo cum faciunt idem, non est idem (Terentius). 

Dura tarnen molli saxa cavantur aqua (Ovidius). 

50. Eo maiora cupimus, quo maiora venerunt (Seneca). 

Errare humanum est. 

Errare malo cum Platone quam cum istis vera sentire (Cicero). 

Et semel emissum volat irrevocabile verbum (Horatius). 

Exegi monumentum aere perennius (Horatius). 

55. Exigua his tribuenda fides, qui multa loquuntur. 

Facta mea, non dicta vos sequi volo (Livius). 

Fama crescit eundo (Naar Vergilius). 

Fas et ab hoste doceri (Ovidius). 

Felix qui potuit rerum cognoscere causas ( Vergilius). 

60. Fiat iustitia et pereat mundus (Keizer Ferdinand I). 

Forsan et haec olim meminisse iuvabit (Vergilius). 

Gutta cavat lapidem non vi, sed saepe cadendo. 

Hic esse et illic simul non possum. 

Hinc illae lacrimae (Terentius). 

65. Hoe erat in votis (Horatius). 

Hoe est vivere bis, vita posse priore frui (Martialis). 

Hoe volo, sic iubeo: sit pro ratione voluntas (Iuvenalis). 

Hodie mihi, cras tibi. 

Homines dum docent, discunt (Seneca). 

70. Homo sum, humani nihil a me alienum puto (Terentius). 

Honeste pauperem esse melius est, quam iniuste divitem. 

Honos ante divitias. 

Horas non numerat nisi serenas (Opschrift van een zonnewijzer). 
Iliacos intra muros peccatur et extra (Horatius). 

75. In necessariis unitas, in dubiis libertas, in omnibus autem caritas. 
Incidis in Scyllam cupiens vitare Charybdin. 

Ingenuasdidicissefideliter artes emollit mores nee sinit esse feros (Ovidius). 
Iustitia in suo cuique tribuendo cernitur (Cicero). 

Labor omnia vincit improbus (Vergilius). 

80. Latet anguis in herba (Vergilius). 

In rebus incertis amicus certus cernitur. 

Laudamus veteres, sed nostris utimur annis (Ovidius). 

Leve fit quod bene fertur onus. 


83 


Magna fuit quondam capitis reverentia cani (Ovidius). 

85 Malum alienum ne feceris tuum gaudium. 

Mea mihi conscientia pluris est quam omnium sermo (Cicero). 
Melior est certa pax quam sperata Victoria ( Livius ). 

Militia est vita hominis. 

Multa cadunt inter calicem supremaque labra (noUd /uezaijv niïei 
xvfoxog xal yeihog dxgov. Aristoteles , fragm. 523). 

90. Multa magis quam multorum lectione formanda mens ( Plinius ). 
Nam tua res agitur, paries cum proximus ardet (Horatius). 

Ne sutor supra crepidam (Plinius). 

Nil sine magno vita labore dedit mortalibus (Horatius). 

Nitimur in vetitum semper, cupimusque negata (Ovidius). 

95. Nomina sunt odiosa. 

Non omnia possumus omnes (Lucilius). 

Nunquam minus solus sum quam cum solus sum (Cicero). 
Nunquam sunt grati qui nocuere sales (Seneca). 

Omne malum nascens facile opprimitur (Cicero). 

100. Ordo et modus omnia breviora reddunt. 

Pacem volo, bellum paro (Augustinus) . 

Parva saepe scintilla contempta magnum excitavit incendium (Curtius) . 
Pectus est (enim) quod disertos facit (et vis mentis) (Quintilianus). 
Per ardua ad astra. 

105. Principibus placuisse viris non ultima laus est (Horatius). 

Puras Deus, non plenas, adspicit manus (Publilius Syrus). 
Quaecunque vultis ut faciant vobis homines, et vos facite illis 
(ndvza ovv boa av iïéArjze ïva noitboiv v/uiv oi av&Qa>7ioi, ovzco 
xal v/iEig Tioieize avzoïg. Ev. Matth. 7:12, cf. Ev. Luc. 6 : 31). 
Qui tacet consentire videtur. 

Quidquid agis, prudenter agas et respice finem. 

110. Quod tibi fieri non vis, alteri ne feceris (a ndoyovzeg vcp ezeqcov 
ogy^Eode, zavza zoïg aUoig jui] jioieïze. Isocr. 3, 61). 

Quos Deus perdere vult, dementat prius. 

Quod differtur non aufertur. 

Reddenda est terrae terra (Cicero). 

Rex erat Elisabeth, nunc est regina Jacobus. 

115. Rex regum reges regit. 

Semper aliquid novi Africa affert (Plinius). 

Solamen miseris socios habuisse malorum (Vergilius). 

Spectatum veniunt, veniunt spectentur ut ipsae (Ovidius). 

Stat sua cuique dies ( Vergilius ). 

120. Suus cuique mos loco est. 

Tu ne cede malis, sed contra audentior ito (Vergilius). 

Tua quod nihil refert, ne cures (Plautus). 

Ut somnus mortis, sic lectus imago sepulcri. 

Veniet tempus, quo posteri tam aperta nos nescisse mirentur (Seneca). 
125. Vis consili expers mole ruit sua (Horatius). 


VOCABULARIUM. 


1 . 

maiöres natü, ouden van dagen , 
oude lieden. 
ceterum, overigens. 
litterae, letteren , letterkunde , lite- 
ratuur. 

pertinëre ad, strekken , behooren tot. 
declarare, verklaren. 
arbitrari, oordeelen. 
cogitare, denken , bedenken. 
immortalis, onsterfelijk. 
momentum, beweegkracht , invloed . 

gewicht , beteekenis. 
initium, begin , beginsel. 
iniquitas, ongerechtigheid , onbillijk- 
heid. 

versari, verkeer en. 
vexare, kwellen , teisteren. 
affirmare, verzekeren. 

2 . 

animadvertere, bemerken. 
praeruptus, steil. 

docêre, onder richten, op iets wijzen. 
longê (adv.), verre, verreweg , ge/ieeZ. 
ratio, M/'ze van handelen , manier , 
methode. 

dum, zoolang als. 
commemorare, vermelden. 
supra, boven, te voren. 
düdum (meest verbonden met iam), 
aZ Zang. 

perspicuus, doorzichtig, duidelijk. 
fortiter (adv.), krachtig, dapper, 
moedig. 

improbitas, slechtheid, verdorvenheid. 


Usipetes, Germaansche volksstam aan 
de Lippe en aan den Rijn. 
Smyrnaei, bewoners van de Grieksche 
stad Smyrna aan de W. kust van 
Klein-Azië. 

Tencteri, Germaansche volksstam aan 
de Lippe en aan de Roer. 

3 . 

intra (met acc.), binnen. 
existimare, voor iets houden, meenen, 
gelooven. 

despêrare, wanhopen. 
in potestatem redigere, onderwerpen, 
onder de macht brengen. 
infitiari, loochenen. 
dolus malus, boos opzet. 
senllis, van een ouden man, oud. 
occultare, verbergen. 
cognömen, bijnaam. 
pars orbis terrarum, werelddeel. 
subigere, onderwerpen. 
suscipere, ondernemen. 

4 . 

immatürus, onrijp, ontijdig. 
consularis, oud-consul. 
accêdere, nader komen, naderen. 
male cadere, ongelukkig afloopen. 
attamen, maar toch. 
significare, te kennen geven. 
in fidem venire, zich overgeven. 
mora, oponthoud. 

morari, zich ophouden, uitblijven. 
nusquam, nergens. 
perspicere, doorzien. 


85 


pirata, zeeroover. 
subitö (adv.), plotseling. 

Hercynia silva, strekte zich volgens 
Caesar langs den linker Donau- 
oever uit van het Schwarzwald tot 
de Karpaten. 

5 . 

molestë ferre, iets euvel opnemen. 
aegrë ferre, iets kwalijk nemen. 
hiemare, overwinteren. 
dimittere, wegzenden , laten gaan , 
laten ontsnappen. 
indignari, verontwaardigd zijn. 
contio, (volksvergadering. 
prodere, verraden. 
sceleratus, misdadig. 
perficere, tot stand brengen. 
gloriari, zich beroemen. 
divlnus, goddelijk. 
reddere, teruggeven , geven ( waartoe 
men verplicht is of wat behoort). 
necessitas, noodzakelijkheid , beschik- 
king. 

pacem facere, vrede sluiten. 
continuare, voortzetten. 
recitare, voorlezen. 

6 . 

vicus, wijk (in een stad), dorp (op 
het land). 
aurifex, goudsmid. 
palam (adv.), in het openbaar. 
appendere, toewegen. 
sella, zetel , stoel , werkstoel. 
coram (met abl.), in tegenwoordig- 
heid van. 

nimium = nimis, al te (zeer). 
diligens, nauwlettend , nauwgezet. 
adversarius, tegenstander. 
cogere, noodzaken , dwingen. 
prosequi, vervolgen. 
effeminare, verwijfd maken. 
quam ob causam, om welke reden , 
waarom. 


importare, invoeren. 
rescindere, afbreken. 
lugëre, treuren. 
exponere, te vondeling leggen. 

L. = Lucius, Romeinsche voornaam. 

7 . 

commovëre, in beweging brengen , 
drijven. 

apparet, het blijkt. 
praeterit me, het ontgaat mij. 
fallit me, het ontgaat mij. 
expedit, het is dienstig. 
iuvat, het doet genoegen. 
decet, het betaamt. 
dedëcet, het betaamt niet. 
praestat, het is beter. 
mihi convenit tecum, wij stemmen 
(daarin) overeen. 

inter omnes convenit, allen stemmen 
overeen. 

consistere, bestaan. 

res frumentaria, koren , graan. 

vel, zelfs. 

neque — neque, noch — noch. 
obtinëre, verkrijgen. 
tantum, slechts. 

Iudaei, Joden. 

Syracusani, bewoners van de stad 
Syracuse. 

8 . 

consecrare, wijden. 
hinc, van hier. 
dignus (met abl.), waardig . 
istic, daar. 

veri simile est, het is waarschijnlijk. 
credibile est, het is geloofelijk. 
Ceres, -er is, Italische godin van den 
land- en graanbouw , later gelijk 
gesteld aan de Grieksche Demëter. 
Proserpina, dochter van Demëter , 
echtgenoote van Pluto en koningin 
der onderwereld ; ook Libera ge- 
naamd. 


86 


9 . 

pulchritüdo, schoonheid. 
collocare, plaatsen. 
atrium, voorzaal . 
opprimere, onderdrukken. 
laurus, laurierboom , laurier. 
olea, olijfboom. 
secürus, veilig, zonder zorg. 
conicere, nederwerpen. 
excitare, op drijven, opwerpen. 
esitare, eten. 

appropinquare, aanrukken. 

10 . 

aliud — aliud, het een — het ander. 
simulare, voorgeven, veinzen. 
perfidus, trouweloos. 
illacrimare (met dat.), beweenen. 
plerïque, de meeste. 
dictatorem dicere aliquem, iemand 
tot dictator benoemen. 
regnum, koningschap, koninkrijk. 
appetere, streven naar. 
interimere, uit den weg ruimen. 
in perpetuum, voor altijd. 
suppliciter (adv.), smeekend. 
prima luce, bij het aanbreken van 
den dag. 

alii — alii, sommige — andere. 
lubricus, glibberig , glad. 
bracchium, arm. 

in media aqua, midden in het water. 
cruciare, kwellen, pijnigen. 
res adversae, tegenspoed. 
communicare, iets ( met iemand) dee- 
condere, bijzetten. [len. 

cera, was. 

circumlinere, bestrijken. 
Sp.=Spurius, Romeinsche voornaam. 

11 . 

transmittere, vliegen over. 
grus, gruis, kraanvogel. 
complecti, omarmen, omhelzen. 


obsecrare, bezweren, dringend ver- 
zoeken. 

operam dare, zich moeite geven. 
prodire, voortrukken. 
conficere, af maken, voleindigen. 
commorari, vertoeven. 
proicere, wegwerpen, neerwerpen. 
consurgere, opstaan. 
lenitas, zachtmoedigheid. 
conservare aliquem, iemand in het 
leven laten. 

perfidia, trouweloosheid. 
simulatio, veinzerij. 
exposcere, opeischen. 
occïdi, sneuvelen. 
interfici, sneuvelen. 
cadere, sneuvelen. 
complüres, verscheidene. 
iter facere, marcheer en, reizen 
scientia, kunde. 
gubernator, stuurman. 
elüdere, voor den gek houden. 
ovare, juichen. 

gratulari (met dat.), (iemand) geluk - 
wenschen. 

quanam causa, waarom toch. 
vigilare, wakker zijn. 
lacus Lemannus, meer van Genève. 
Morini, Belgische volksstam aan de 
oevers van de Schelde. 

Menapii, Belgische volksstam tus - 
schen Maas en Schelde. 

12 . 

exigere, verdrijven. 
inire, beginnen. 

obicere, voorwerpen , blootstellen. 
impönere, opleggen. 
recipere, op zich nemen, aannemen. 
conciliare, winnen, verwerven. 
sancire, strafbaar stellen. 
retinêre, terug-, achterhouden. 
spectare (ad), uitzien op, liggen op. 
res gestae, krijgsdaden. 
secëdere, uitwijken. 


87 


dominatio, heerschappij , dwinge- 
landij. 

Anio, -ênis, zijrivier van den Tiber. 

13. 

narratio, vertelling , verhaal. 
versütus, listig, sluw. 
callidus, schrander , geslepen. 
invlsus, gehaat. 
suspectus, verdacht. 
curare, genezen. 

leviter (adv.), licht , in een lichten 
graad. 

leniter (adv.), zacht, met zachte mid- 
delen. 

exitus (u), afloop, uitslag. 
adversus, naar iemand toegekeerd, 
tegen iemand zijnde , ongunstig. 
magis (adv.), meer. 
ego equidem, ik voor mij. 
non tam — quam, niet zoozeer — 
als wel. 

sustinëre, doorstaan , weerstaan. 
facëtê (adv.), geestig . 
aequalis, tijdgenoot. 
celebrare, roemen , verheerlijken. 
Lycurgus, wetgever van de Spartanen. 

14. 

expellere, verdrijven. 
deliberare, overleggen , beraadslagen. 
perire, verloren gaan, te gronde gaan. 
sollicitödo, ongerustheid, bezorgd- 
heid, angst. 

elabi, ontvlieden, ontsnappen. 
residëre, achter blijven. 
obscürare, verduisteren. 
serënus, helder, klaar, onbewolkt. 
deficere, verduisterd worden (vgl. 

lunae defectus). 
infectus, ongedaan. 
impetrare, verkrijgen. 
advenire, aankomen. 
occupare, bezetten. 
iucunditas, aangenaamheid. 

WOLTJER en VAN bleek, Lat. Oef. II. * 


contendere, zich ( ijlings ) begeven, 
oprukken. 

superare, overtrekken. 
adesse, aanwezig zijn. 

Allobroges, volk in het Z. O. van 
Gallië. 

Miltiades, Atheensche aanvoerder. 
Parus, eiland in de Aegaeïsche zee, 
bekend om zijn marmer. 
Saguntum, stad in Spanje aan de 
Middellandsche zee, door Hannibal 
belegerd en verwoest. 

Trebia, rivier in de Povlakte. 

15. 

exiguus, weinig, gering. 
promittere, beloven. 
invltus, onwillig, tegen den wil van. 
auctor, bewerker, raadgever, zegsman. 
puerulus, knaapje. 
hostia, offerdier ; hostias immolare, 
offeren. 
ara, altaar. 

removëre, verwijderen. 
iurare, zweren. 
denuö, op nieuw. 
per triennium, drie jaar lang. 
etsi, ofschoon. 

Livius, Romeinsche geschiedschrijver 
(59 v. C. tot 17 n. C.). 

Pyrrhus, koning van Eplrus ( land - 
schap in het W. van Noord-Grie- 
kenland), vijand der Romeinen. 
Sequani, machtig volk in Gallië 
tusschen de Saöne, Rhöne en het 
Juragebergte. 

16. 

interire, te gronde gaan. 
punctum, punt. 
ornare, uitrusten. 

spatium, ruimte; — temporis, tijd- 
ruimte. 

conicere, werpen. 
gaudium, vreugde. 


7 


88 


17. 

cruciatus (u), marteling , foltering. 
eximius, uitnemend. 
fortüna, lot , toeval , omstandigheden. 
tribuere, toekennen , toeschrijven. 
defendere ab, verdedigen tegen. 
cohortari, aanvuren , moed inspreken. 
agitur aliquid, iets staat op het spel. 
oblivisci (met genet.), vergeten. 
continenter (adv.), ingetogen. 

18. 

dum, zoolang totdat. 

trucldare, slachten , vermoorden. 

publicus, wm ftef volk , openbaar. 

reficere, herstellen. 

locare, aanbesteden. 

condücere, huren, pachten, aannemen. 

vastare, plunderen. 

diripere, plunderen. 

tradere, toevertrouwen. 

concêdere, overlaten. 

Arar, -is, nVier in Gallië (Saóne). 
Lentulus, Romeinsche praetor , fce- 
trokken in de samenzwering van 
Catilina. 

19. 

absens, -sentis, afwezig. 
praesens, tegenwoordig. 
speculari, verkennen , verspieden. 
praedari , rooven , plunderen , stroopen . 
bellare, oor/og voeren. 
sevocare, wegroepen , aftrekken. 
progredi, voortrukken. 
potestatem facere, gelegenheid geven. 
equitare, paardrijden. 
huc, hierheen. 
venia, ver/o/, vergunning. 
Dumnorix, -igis, vorst der Aedui of 
Haedui (volksstam in Gallië). 

20 

afferre, aanbrengen , bijdragen tot. 
conservare, behouden. 
oppetere, te gemoet gaan. 


inire consilium, een plan opvatten , 
— smeden. 

circumvenire, omsingelen. 
mollis, zacht, zwak , u>ee/c. 
occasio, gelegenheid. 
praeficere (met dat.), aan het hoofd 
stellen van. 

delectari, zich vermaken. 
reditus (u), terugkeer. 
cremare, verbranden (trans.), 
restat, er blijft over. 

21 . 

cubitum ire, gaan slapen. 
spectare, kijken. 
frumentari, four ageer en. 
interest inter, er is verschil tusschen. 
iniuriasaccipere , onrecht ondervinden. 
procul ab, ver van. 
auxiliari (met dat’), helpen. 
Croesus, laatste koning van Lydië 
(landschap in Klein- Azië), bekend 
om zijn rijkdom. 

Delphi, stad in Midden-Griekenland , 
met een beroemd orakel van A polio. 
Plataeenses, bewoners van Plataeae, 
stad in Midden-Griekenland, be- 
kend door de overwinning van de 
Grieken op de Perzen in 479 v. C . 
Spartani, Spartanen. 

22 . 

aliênus, van een ander, vreemd. 
plaga, slag. 
effector, bewerker. 
iniustitia, onrechtvaardigheid. 
intemperantia, gebrek aan zelfbe - 
heersching, onmatigheid. 
adulescentia, jongelingsjaren, jeugd . 
intestlnus, inlandsch. 
raplna, roof. 

antepönere (met dat.), verkiezen 
boven. 

aptus (ad), passend (bij). 
inventor, uitvinder. 
inventrix, uitvindster. 


89 


doctrlna, (vak van) wetenschap . 
comëta, komeet , staartster. 
praenuntius, voorbode. 
ignoratio, onkunde. 
vitiösus, verkeerd. 
consilium, beleid. 
compröbare, goedkeuren. 
evadere, worden. 
solum, bodem. 
stella, ster. 
figöra, gedaante. 
statüra, gestalte , lichaamsbouw. 
Phryx, een Phrygiër , een Phrygische 
slaaf. 

23 . 

collega, ambtgenoot. 
perspicere, doorzicht hebben. 
malitia, slechtheid , sluwheid , gesle- 
penheid. 

dementia, zachtmoedigheid , toege- 
vendheid. 

acclre. ontbieden , /aten komen. 
subsidium, hulp, versterking. 
navicula, scheepje. 
certiörem facere, verwittigen. 
explorator, spion. 
coniürare, samenzweren. 
adventus (u), aankomst. 
circumfundere, omgieten , omstroo- 
men. 

Timoleon, Corinthische veldheer. 

24 . 

vetustas, ftooge ouderdom , oudheid. 

designare, aanwijzen , benoemen. 

hereditas, erfenis. 

rus, rüris, /ie/ (platte) land. 

evolare, uitvliegen. 

flosculus, bloempje. 

decidere, af vallen. 

cunctus, gezamenlijk , a/te te zamen. 

transmarlnus, overzeesch. 

superior, meerder. 

colere, ver eer en. 

nequaquam, volstrekt niet. 


administrare, besturen. 
expellere, uitdrijven. 

Xenocrates, Grieksche philosoof , 
leerling van Plato. 

25 . 

egestas, armoede , gebrek. 
honestas, ^r, aanzien. 
deterior, minder , slechter. 
efficere, bewerken , maken. 
patrimonium, vaderlijk erfgoed , ver- 
mogen. 

profundere, verkwisten. 
obligare, verpanden. 
prldem, voorlang. 
fides (e), krediet. 
commeatus (u), proviand. 
fatalis, noodlottig. 
deficere (intr.), afvallen. 
votum, gelofte. 
profectio, vertrek. 
calumnia, laster. 

26 . 

casus (u), Zie/ vallen^ val , voorval , 
ongeval. 

contubernalis, tentgenoot. 
facêtë dictum, geestig gezegde. 
meditatus, overlegd , bedacht. 
moderatio, gematigdheid , zelfbeheer - 
sching. 

tarditas, langzaamheid. 
iniuria, onrechtvaardige handeling. 
insignis, buitengewoon. 
expugnatio, verovering. 
commutatio, verandering. 
unicus, £emg. 

maerëre, bedroefd zijn , /c/ag^n orer. 
neglegere, zte/i nteZ storen aan. 
horrëre, vreezen , ibeven voor. 

27 . 

se mandare, zte/i overgeven. 
circumvenire, overweldigen , mislei- 
den , bedriegen. 
inlquus, onbillijk , partijdig. 
tribünal, rechterstoel. 


90 


silentium, stilzwijgen , stilte. 
combürere, verbranden (trans.), 
properare, zich haasten. 
mortem obire, sterven, overlijden. 
adoriri, aanvallen , aantasten. 
oppugnare, aanvallen , bestormen. 
circumire, omtrekken, insluiten. 
praetervehi, voorbijvaren. 
praeterire, voorbijgaan. 
rapacitas, roofzucht. 
vastissimus, onmetelijk. 
transire, overgaan , overtrekken. 
exterior, buitenste. 
munitio, verschansing. 
a tergo, in den rug. 
praecipitare, af storten. 
funditor, slingeraar. 
obire, bereizen. 
nonne? niet? 

circumsedëre, belegeren, omsingelen. 
nimis (adv.), te, te groot, te veel. 
centurio, hoofdman over honderd. 
Euboea, eiland in de Aegaeïsche zee. 
Mutina, stad in Noord- Italië ( Mo- 
dena) i . 

28. 

requlrere, zoeken, verlangen. 
efflagitare, dringend vorderen. 
prorsus (adv.), geheel en al, volkomen. 
secus, anders. 

praetüram gerere, het ambt van 
praetor bekleeden. 
assecla, naloop er. 
propter, ten gevolge van. 
lator (legis), voorsteller (eener wet). 
levitas, lichtzinnigheid. 
assentatio, vleierij. 
quam, hoe zeer; — non, hoe weinig. 
T. Pomponius Atticus, Romeinsche 
geschiedschrijver en boekhandelaar. 

29. 

simulacrum, beeld. 
mandatum, opdracht. 
adire ad, gaan naar. 


praeclarus, heerlijk. 
nisi ut, dan dat. 
posthac, naderhand. 
severitas, gestrengheid. 
avunculus, oom (van moederszijde). 
mihi licet, ik mag. 
fenus, -oris, rente, interest; fenori 
dare, leenen (= te leen geven), 
interrogare, ondervragen. 
non placet mihi, het staat mij niet 
aan. 

levis armatüra, lichte wapening. 
Hennensis, van Henna, stad op 
Sicilië met een tempel van Ceres. 
L. Calpurnius Piso, consul in 58 
v. C., schoonvader van Caesar, 
tegenstander van Cicero. 

30. 

gemma, edelgesteente, gesneden steen. 
percutere, slaan, doodslaan, ont- 
hoofden. 

exitus (u), einde. 
invidêre (met dat.), benijden. 
parcere (met dat.), sparen. 
res pretiosae, kostbaarheden. 

31. 

confluere, samenstroomen. 
excêdere, uitgaan , weggaan. 
bestiola, beestje, diertje. 
dedücere, wegbrengen, begeleiden. 
aestlvus, zomer — . 
cognitus, bekend. 
devincere, onderwerpen. 
perire, omkomen. 
se conferre, zich begeven. 
avus, grootvader. 
praedium, land, landgoed. 
fossam ducere, een sloot graven. 
litigiösus, twistziek. 
familiaris, vertrouwd vriend. 
relëgare, wegzenden, verbannen. 
edlcere, bevelen. 

Chlus, klein eiland in de Aegaeïsche 
zee. 


91 


Cilicia, landschap in Klein- Azië. 
Cimon, Atheensche veldheer. 

Crëta, groot eiland in de Middel- 
landsche zee ( Candia ). 
Mediolanum, Milaan. 

Milëtus, Milete, handelsstad aan de 
kust van Klein-Azië. 

Mytilënae, hoofdstad van het eiland 
Lesbos in de Aegaeïsche zee. 
Naxus, klein eiland in de Aegaeische 
zee. 

Pelusium, stad in Beneden- Egypte. 
Piraeus, havenstad van Athene. 
Themistocles, Atheensche staatsman , 
uit zijn vaderstad verbannen. 

32 . 

perfugere, zijn toevlucht nemen tot , 
overloop en, deserteer en. 
horti, park. 
cauponula, kroegje. 
perpötare, doordrinken. 
norma, regel, richtsnoer. 
ratio, berekening. 
rationis norma, regel en maat. 
dirigere, richten, regelen, besturen. 
decernere, besluiten. 
arbitrium, (scheidsrechterlijke) be- 
slissing, goeddunken, wil. 

33 . 

eödem, naar dezelfde plaats, ook 
daarheen. 

expetendus, begeerlijk. 
circumcirca, rondom. 
prospicere, van verre zien, — be- 
schouwen. 

d extra, aan de rechterhand. 
sinistra, aan de linkerhand. 
opprimere, naar beneden drukken, 
in het nauw brengen, overvallen. 
cooriri, plotseling te voorschijn 
komen, ontstaan, uitbreken. 
deicere, drijven tegen, slaan — . 


recordari, zich herinneren. 
silentium, stilte ; silentio, in stilte. 
praetor urbanus, stadspraetor . 
sus, suis, zwijn. 
impedimenta, -orum, bagage. 
gratia uti (alicuius), in gunst staan 
(bij iemand). 

Asparagium, stad in Illyrië aan 
de Adriatische zee. 

Aeglna, eiland ten Z. W. van den 
Piraeus. 

Carthago nova, Cartagëna. 

Megara, -örum, stad op de landengte 
van Corinthe. 

34 . 

excusatio, verontschuldiging. 
offendere, beleedigen. 
vitulus (o), kalf. 
con ver tere, keer en naar. 
admodum, zeer. 

oppugnatio, bestorming, belegering. 
addücere, leiden tot, nopen. 
iniuria, beleediging. 
acerbus, bitter. 

Ambracia, stad in Epirus (landschap 
in N. -Griekenland). 

Larlsa, stad in Thessalië (landschap 
in N. -Griekenland). 

Rhodii, bewoners van het eiland 
Rhodus. 

35 . 

versari, verkeeren, zijn, staan. 
dispönere, hier en daar plaatsen. 
praesidium, bezetting, wachtpost. 
colonia, volkplanting , colonie. 
explörare, onderzoeken, verkennen, 
verspieden. 
delëre, vernielen. 
ignominia, smaad en schande. 
benevolentia, welwillendheid. 
proelio decertare, een beslissenden 
slag leveren. 
pertimescere, vreezen. 


92 


fama, gerucht. 
pervenire, doordringen. 
pedem porta efferre, een voet buiten 
de poort zetten. 

Bibulus, tegenstander van Caesar. 
Euphrates, Euphraat , rivier in Azië. 

36 . 

dum modo, wanneer slechts. 
iuris perltus, ervaren in het recht. 
rationem habêre (met genet.), reke- 
ning houden met. 
perditus, slecht , diep gezonken. 
similis (met genet.), gelijk aan; 

mei — , mijns gelijke. 
ostentar e, openlijk toonen.pralen met . 
at, toch , dan toch. 
post ulat urn, eisch. 
despicere, neerzien op , minachten. 
diffundi, zich verbreiden. 
vena, ader. 

intolerabilis, ondragelijk. 
inter se, elkander. 
morbo corripi, door een ziekte aan- 
getast worden. 
perferre, overbrengen. 
innocentia, onbaatzuchtigheid. 
Ephesus, Efeze , stad in Klein- Azië, 
beroemd om den tempel van de 
godin Artemis (Diana). 
Trebatius, bekend rechtsgeleerde , tijd- 
genoot van Caesar en Cicero. 

38 . 

inscrlbi, tot titel hebben. 
physicus, natuurkundige. 
oppositus (u), het tegenoverstaan. 
clandestlnus, geheim. 
sophistës (a), sophist . 
ostentatio, pralerij , uiterlijk vertoon. 
philosophari, zich op de wijsbegeerte 
toeleggen. 

tyrannis, -idis, alleenheerschappij . 

# immensus, onmetelijk. 


heroicus, helden — . 
vates, waarzegger , ziener. 
suscitare, wekken. 
monumentum victoriae, zegeteeken . 
praestans, voortreffelijk. 
doctrlna, geleerdheid. 
citharista, citerspeler , zanger. 
a principio, van meet af, terstond 
dicare, wijden. 
cycnus, zwaan. 
pictüra, schilderkunst. 
perfectus, volmaakt. 
basis (i), voetstuk. 
epigramma (neutr.), opschrift. 
incldere, graveeren. 
acroama, iemand, die voordraagt, 
zingt of speelt , artist. 
anagnostês (a), voorlezer. 
meus proprius, mijn eigen. 
Agamemnon, koning van Mycenae 
(in de Peloponnesus), aanvoerder 
der Grieken in den Trojaanschen 
oorlog. 

Anaxagoras en Anaximenes, Griek - 
sche wijsgeer en. 

Gigas -ntis, Gigant. 

Hesiodus, Grieksche dichter. 

Minos, Rhadamanthus, Aeacus en 
Triptolemus, rechters in het doo- 
denrijk. 

Odysseus (Ulixes) en Nestor, Griek- 
sche aanvoerders voor Troje. 
Orpheus en Musaeus, beroemde zan- 
gers uit de Grieksche sage. 
Pericles, beroemde Grieksche staats- 
man. 

Thales, Grieksche wijsgeer uit Milete. 
Titan, -anis, Titaan. 

Vercingetorix, Gallische vorst, door 
Caesar verslagen. 

39 . 

furor, woede, waanzin, razernij. 
agitare, drijven, aanzetten. 
aries, -etis, ram. 


93 


vellus, -eris, vacht. 
deferre, afbrengen , heenbrengen . 
transferre, overbrengen. 
lücus, ( heilig ) woud . 
draco, -önis, slang , draa/c. 
regno eicere, van den troon stooten. 
haruspex, waarzegger. 
prodigium, wonderteeken. 
naufragium facere, schipbreuk lijden. 
offendere, aantreffen. 
impendëre, boven het hoofd hangen. 
spoliare, berooven. 
educare, opvoeden ) grootbrengen. 
in tuto collocare, in veiligheid 
brengen. 

centaurus, centaur ( half mensch , 
half paard). 

40 . 

sacrum facere, offeren. 
repetere, terugvaren, opeischen . 
conspicere, bemerken , zien. 
patruus, oom (van vaderszijde). 
faber (o), handwerksman, vooral tim- 
merman en smid. 

nomen impönere, een naam geven. 
pröra, voorsteven. 
memoria, vermelding. 
incitare, in snelle beweging brengen, 
aandrijven. 
vehi, varen. 

divinatio, gave der voorspelling. 
enuntiare, oververtellen, verklappen. 
esca, spijs, eten; lokaas. 
contaminare, bezoedelen. 
evïtare, vermijden. 
promunturium, voorgebergte, kaap. 

41 . 

scilicet, te weten, namelijk. 
fretum, zeeëngte, straat. 
introitus (u), ingang. 
concurrere, naar elkander toegaan, 
samenstooten. 


discêdere, van elkander gaan, wijken. 
contundere, verbrijzelen, verpletteren. 
columba, duif. 
rupes (i), steile rots, klip. 
deferre, heendrijven. 
naufragus, schipbreukeling. 
expönere, uiteenzetten. 
inops, behoeftig, uitgeput. 
hospitio invltare, te gast noodigen. 
occultum, verborgen plaats. 
venefica, giftmengster, tooveres. 
amore alicuius capi, verliefd wor- 
den op iemand. 

venen um, giftdrank, toovermiddel . 
Pontus (Euxlnus), Zwarte Zee. 

42 . 

narës, -ium, neusgaten , neus. 
iugum, juk. 
ut, zoodra als. 
spirare, blazen, snuiven. 
galea, helm. 
responsum, orakel. 
aratrum, ploeg. 
armis contendere, vechten. 
iaculari, slingeren. 
peregrlnus, vreemdeling. 
sopire, in slaap maken. 
adire, ondernemen. 
suspicio, verdenking. 
appelli, landen. 
aënum, ketel. 
agnus, lam. 

prosilire, ergens uitspringen. 
miraculum, wonder. 

43 . 

accidere, overkomen, te beurt vallen. 
tam — quam, zoowel — als. 
offerre, blootstellen. 
auxilium ferre, te hulp komen. 
consuescere, zich gewennen. 

44 . 

humanitas, welwillendheid. 
deferre, overbrengen. 


94 


condicio, staat , gesteldheid. 
adflictus, ellendig , vernederd. 
obtrectare (met dat.), afbreuk doen. 
saltem (adv.), ten minste , althans. 
voluntas, gezindheid. 
agricultöra, landbouw . 

45. 

accëdere, toetreden , bijkomen. 
militiae disciplïna, krijgskunst , 
krijgsdienst. 

proximë (adv.), Zzef naast. 
concilium, vergadering. 
rümor, gerucht. 
suspicio, vermoeden. 
adhibëre, aanwenden , gebruiken. 
amicitia, vriendschapsverbond. 
aliquamdiu, tijdlang. 
familia, gezin. 


manum afferre, de handen slaan 
aan. 

desperatus, hopeloos. 

vim adhibëre, geweld aandoen. 

Aegyptus, Egypte. 

Cyrus en Cambyses, koningen van 
Perzië. 

Hippocrates, beroemde Grieksche ge- 
neesheer (+ 440 v. C.). 

Quirltes, Quirieten , Romeinen. 

46. 

conferre, vergelijken. 
finis bonorum, het hoogste goed. 
congruere, overeenkomen , overeen- 
stemmen. 

convenienter (adv.), overeenkomstig. 
celeritas, snelheid. 
communicare, mededeelen. 
consentire, overeenstemmen. 
cognatio, verwantschap. 
quam primum, zoodra mogelijk. 

47. 

deferre, opdragen , over dragen, over- 
brengen. 


incidere, vervallen in , vallen in de 
handen van. 

derogare, onttrekken , ontzeggen. 
invltare, uitnoodigen. 
detrahere, onttrekken , berooven. 
felicitas, geluk. 

bellum inferre, den oorlog verklaren , 
beoorlogen. 

fructuösus, vruchtbaar. 
interdlcere, verbieden. 
periculum capitis of vitae, levens- 
gevaar. 

se inferre, zich begeven (in). 
eripere, ontrukken. 
interclüdere, afsnijden. 
factum, feit. 

Charybdis, draaikolk in de straat 
van Messina , tegenover de Scylla. 
Scylla, hooge rots in de straat van 
Messina ; als persoon , een mon- 
ster , dat uit voorbijvarende schepen 
menschen roofde. 

48. 

obrëpere, naar iets toekruipen , fo- 
kruipen, overvallen. 
furtum, diefstal. 

obicere, voor de voeten werpen , ver- 
wijten , m tten werpen. 
oppönere, tegenoverstellen , tegen- 
stellen. 

praeferre, vooruitdragen , verkiezen 
(boven). 

inert ia, traagheid. 
praesidëre, voorzitten , besturen. 
referre gratiam, tfarz/c vergelden , — 
bewijzen. 

submittere, (oncter & /zand) 
zenden , te ftu/p zenden. 
succëdere, oprukken tegen , — naar; 

af lossen, opvolgen. 
occurrere, tegemoet loop en. 
subicere, omter leggen. 
adhortari, aanmoedigen . 


95 


succumbere, bezwijken. 

Darlus, koning van Perzië. 

49 . 

adspergere, besprenkelen. 
inauratus, verguld. 
similitüdo, gelijkenis. 
quinquerëmis, vijfdekker , galei. 
repönere, op zijn plaats terugbren- 
gen. 

iuratus, die gezworen heeft , beëedigd. 
adhibëre testem, tot getuige nemen. 
domicilium, woning , woonplaats. 
cancelli, perken. 

commeatus (u), toevoer van levens- 
middelen. 

conari, trachten , beproeven. 
Agesilaus, koning van Sparta. 
Capua, hoofdstad van Campanië. 
Delius, van Delos, eiland in de 
Aegaeïsche zee , waar Apollo ver- 
eerd werd en een orakel had. 
Masinissa, koning van Numidië. 
Melita, Malta. 

50 . 

prae, in vergelijking met. 
contemptus (u), verachting , gering- 
schatting. 

praesidium, bescherming. 
fiducia, zelfvertrouwen. 
usus (u), gebruik. 
mancipium, eigendom. 
obire, ondergaan. 
magnificentia, pracht. 
fenori dare, op woeker geven. 
Codrus, laatste koning van Athene. 

51 . 

percipere, tot zich nemen , ontvangen , 
genieten. 

figürare, vormen. 
stadium, renbaan. 
humerus, schouder. 
factio, partij. 


athlëta, athleet , worstelaar. 
inspectare, naar iets kijken. 
mulus, muildier. 
recipere, aannemen. 
inicere, aanleggen. 
contra, daarentegen. 
adhibëre, gebruiken , aanleggen. 
urus, oeros. 
coacervare, ophoopen. 
bellum inferre, oorlog verklaren. 

52 . 

proferre, bekend maken , in het licht 
geven. 

ineptus, laf , flauw. 
lautus, prachtig , sierlijk. 
pervestïgare, opsporen. 
argumentum, bewijs , — grond. 
promere, voor den dag brengen , 
putten. 

abigere, wegdrijven. 
adigere, ergens heen drijven , ver- 
zamelen. 

possldere, in bezit nemen. 
delectatio, vermaak , genot. 
praeceptum, les , voorschrift. 
transferre, vertalen , overzetten. 
auferre, rooven. 

53 . 

reverentia, eerbied. 
canus, grijs. 

unicë, op eenige wijze , bij uitstek . 
honoris causa, eershalve , met achting. 
neglegere, verwaarloozen. 
exardescere, ontbranden. 

54 . 

grandis, groot , gewichtig , indruk- 
wekkend. 

legare, vermaken (bij testament). 
exercitatio, oefening. 
temperantia, ingetogenheid, matig- 
heid , zelfbeheer sching. 


96 


ops, opis, macht , /m/p, bijstand ; 

opes, vermogen , invloed . 
machinatio, machine. 
promovêre, voortbewegen. 
quanto — , tanto, /zoe — , des te. 
procella, orkaan. 
labor, werkkracht , werkzaamheid. 
effundere, verkwisten. 
laudatio, lofrede. 
numerus, hoeveelheid. 


55 . 

südor, zweet. 
proicere, (vooruitwerpen. 
vita commünis, fatsoenlijke levens- 
wijze. 

quamvis, hoe — ook. 
bellum navale, oorlog ter zee. 
nobilis, van aanzienlijke geboorte. 
humanitas, beschaving. 
expers, verstoken van. 

Cydnus, rivier in Cilicië ( landschap 
van Klein- Azië). 

Caiëta, Gaëta , stad op de grens van 
Latium en Campanië. 


56 . 

animans, levend üvezen. 
refertus, vol (van). 
consldere, zich neerzetten. 
negotiator, handelaar. 
magister equitum, ritmeester , onder- 
bevelhebber van den dictator. 
incommoda, tegenspoeden. 
baiulus, sjouwerman. 
navigare, varen. 
callidë (adv.), geslepen. 
communio, gemeenschap. 
societas, gezelschap. 
inedia, het vasten. 
vigilia, het waken. 


57 . 

petulantia, lichtvaardigheid , uitge- 
latenheid. 

insipiens, onwijs , dwaas. 
consistere, blijven staan. 
cavêre, zich wachten voor. 
verecundia, beschroomdheid , beschei- 
denheid. 

incendium, brandstichting). 
tenêri, vastzitten. 
praemiis adficere, beloonen. 
providëre, verhoeden. 
evenire, geschieden. 

58 . 

corrumpere, omkoopen. 
discëdere, weggaan. 
res capitalis, halsmisdaad. 
convincere, overtuigen. 
neglegentia, nalatigheid. 
foris, buiten , buitenslands. 
domi, te huis , in het land. 
conscientia, bewustzijn , goed gewe- 
ten. 

floccus, vlok wol ; kleinigheid. 
pecunia, geldboete. 
multare, beboeten , straffen. 
repulsam ferre, afgewezen worden. 
designari, aangewezen worden. 
ambitus (u), omkooping. 
invidiam excipere, afgunst op zich 
laden. 

aulicus, hoveling. 

aliter, op andere wijze , anders. 

59 . 

perficere, uitvoeren. 
auxiliares, hulptroepen. 
integer, ongeschonden. 
disserere, uitvoerig spreken over. 
sublica, (in den grond geslagen) 
paal. 


97 


60 . 

abdere, weg maken , verbergen. 
noctu (adv.), des nachts. 
vigilias agere, de wacht houden. 
scalae, (stormladder, trap(pen). 
acta, verordeningen . 
confirmare, bekrachtigen. 
dissipare, verstrooien. * 
arma capere, de wapens opvatten. 
Cornelius Sulla, bekende Romeinsche 
veldheer en staatsman, tegenstander 
van Marius. 

61 . 

labefacere, doen wankelen. 
festlvë (adv.), geestig. 
circumspicere, rondzien. 
suscipere, op zich laden. 
supplicium, straf. 
collocare, plaatsen, opslaan. 
fasti, kalender, almanak. 
turbari, in verwarring geraken. 
imperium, hoogste gezag. 

Etruria, Etrurië , landschap in Italië , 
ten N .van Rome ( tegenw . Toscane). 

62 . 

adferre, meebrengen. 
commeatus (u), toevoer van levens- 
middelen, mondvoorraad. 
praetor, stadhouder. 
insulanus, eilandbewoner. 

63 . 

aliënus, niet in overeenstemming met. 

laboriösus, werkzaam. 

recreatio, ontspanning. 

abundë, uitvoerig. 

disertë, in duidelijke bewoordingen. 

64 . 

locus, stand. 
probus, rechtschapen. 
avaritia, hebzucht. 
abripere, wegrukken. 


inhumanitas, onbeleefdheid. 
insolenter (adv.), op onbeschaamde 
wijze. 

impulsus (u), het aansporen. 

65 . 

natio, volksaard. 
natüra, aard. 
commodum, voordeel. 
usus (u) rerum, ondervinding. 
antecëdere, voorgaan. 
differre, verschillen. 

66 . 

defensio, verdediging . 
discessus (u), vertrek. 
artificium, kunstvaardigheid. 

Parthi, Parthen , volk ten Zuid-Oosten 
van de Kaspische Zee, beroemd als 
ruiters en boogschutters. 

Phidias, beroemde Atheensche beeld- 
houwer. 

67 . 

interesse (met dat.), deelnemen (aan). 
denïque, kortom. 
aggredi, aanvallen. 
assequi, inhalen, bereiken. 
causa, reden, oorzaak. 
colloqui, een bespreking houden. 

68 . 

praeditus (met abl.), voorzien (van). 
facultas, gelegenheid , vermogen (om 
iets te doen). 

instructus (met abl.), voorzien (van). 
ferratus, met ijzer beslagen. 
opprimere, in den grond boren. 
comitium, plein bestemd voor volks- 
vergaderingen (comitia). 

69 . 

nummulus, klein geld, pasmunt. 
conlaudare, loven, prijzen. 
cogitatio, gedachte. 


98 


aperire, openbaren. 
tunica, hemd , onderkleed. 
pallium, mantel , rok. 
pertimescere, bang worden , sidderen. 
Thebae, Thebe, stad in Midden- 
Griekenland. 

70 . 

moderatus, bezonnen. 
officium, dienstvaardigheid. 
documentum, voorbeeld. 
pius, die zijn plicht betracht. 

71 . 

annuus, jaarlijksch , voor een jaar. 
caupo, kroeghouder , kleinhandelaar. 
ublque, overal. 
resuplnus, achterover. 
committere, toevertrouwen , op dra - j 
gen. 

Lilybaeum, stad in het W. van 
Sicilië . 

72 . 

aliënus, ongunstig. 

religio, vereering. 

vagari, kruisen. 

dispersus, verspreid. 

raeda, reiswagen. 

intrare, binnenkomen. 

perhorrescere, ri/fen, huiveren. 

73 . 

ab utröque latere, aan weerszijden. 

iudicium, beslissing. 

mulio, muildierdrijver . 

cassis, -idis, ( metalen ) helm. 

iugum, bergrug. 

pirum, peer. 

malum, appel. 

maturescere, rijp worden. 

circumvehi, omrijden. 

eruptio, uitval. 

qua, waarlangs. 


74 . 

consldere, zich vestigen. 
depönere, in veiligheid brengen. 
species (e), beeltenis , portret. 
clipeus, schild. 
sigillum, zegel. 
studium, inspanning. 
deflgere, vasthechten. 
reprehendere, afkeuren. 

75 . 

consobrlnus, neef. 

ad cenam invltare, ten eten vragen. 

excipere, opvatten. 

decörus, eervol. 

obtestari, bezweren. 

76 . 

libido, zingenot. 

hamus, haak. 

aper (o), wild zwijn , ever. 

morsus (u), beet. 

erudire, ontwikkelen. 

laböres, moeite en inspanning. 

esurire, honger lijden. 

aestus (u), hitte. 

aestuare, hitte verdragen. 

gubernator, stuurman , bestuurder. 

praeditus, bekleed. 

cultus (u), opschik. 

terrënus, land -, op het land. 

aquatilis, water — , in het water. 

volatilis, gevleugeld , in de lucht . 

acquirere, verwerven. 

luxuries (e), weelderigheid. 

pigritia, luiheid. 

desidia, lediggang. 

collocare, (een bezetting ) leggen (in). 

adiütor, helper. 

calliditas, sluwheid. 

animi magnitüdo, zielenadel. 

Campanus, van Campanië. 


77 . 


99 


conductum habêre, in pacht hebben. 

constare, kosten , te staan komen. 

carus, (te) duur. 

nebulösus, mistig. 

caliginösus, donker , duister. 

fundus, stuk land. 

agmen dücere, (voort)marcheeren. 

strepitus (u), drukte. 

convlva, gast. 

convivium, gastmaal. 

Labiênus, bekend onderbevelhebber 
van Caesar. 

Moesia, Moesië, tegenw. Bulgarije en 
Servië. 

78 . 

ibis, -is, ibis. 
excelsus, hoog , verheven. 
corneus, hoornachtig. 
procërus, lang. 
ascensus (u), helling. 
exercitatio, geoefendheid. 
divellere, af scheuren. 
auctor, redder. 

79 . 

habêre mandatum, in opdracht 
hebben. 

elicere, naar buiten lokken. 
in promptu habêre, in het oog houden. 
ornamentum, versiersel. 
gerere, verrichten. 

Cimbri en Teutöni, Germaansche 
volkeren uit Noord- Duitschland en 
Denemarken. 

80 . 

propugnator, voorvechter. 
barbarus, onbeschaafd. 
tectus, achterhoudend , gesloten. 
per litteras, schriftelijk. 


implörare, aanroepen. 
perturbatio, hartstocht. 
cupiditates, hartstochten. 

81 . 

» 

familiaritas, vriendschappelijke om- 
gang. 

appetere, zoeken. 
liquefacere, doen smelten. 
facetiae, kwinkslagen. 
deprecari, (door bidden) afwenden. 
proferre, komen aandragen. 
tus, türis, wierook. 
odöres, reukwerk. 
margarlta, parel. 

domesticus, tot het huis behoor end, 
inheemsch. 
serius, ernstig . 
satisfacere, genoeg doen. 
vigëre, in volle kracht zijn. 
excëdere, heengaan. 
angustus, bekrompen. 

82 . 

tabulatum, verdieping. 
propönere, uitloven. 
attingere, betreden. 
prodere, overbrengen. 
tradere (se), zich wijden. 
consistere, halt houden. 
concupiscere, hevig verlangen naar , 
dorsten naar. 

deplörare, beweenen , betreuren. 

83 . 

rectë (adv.), juist. 
exherëdare, onterven. 
propinquus, verwant. 
illustris, schitterend. 
vehemens, hevig. 
appetltus (u), verlangen. 
constantia, regelmaat. 


100 


84 . 

adrogare, zich iets aanmatigen . 
caritas, duurte van levensmiddelen. 
comis, vriendelijk. 
manceps, pachter ( van landsinkom- 
sten) , aannemer (van openbare 
werken). 

liberalis, mild , vrijgevig. 
abstinens, onbaatzuchtig. 
deferre, opdragen, aanbieden. 
decëdere, aftreden, terugkeer en. 
lautus, aanzienlijk, voornaam. 
concidere, neervallen, wegzinken. 
num, of, of misschien. 
etiam, ja, 't is waar ook. 
stomachari ,zich ergeren , gemelijk zijn . 
fastidiösê (adv.), met tegenzin, ver- 
drietig. 

immo, neen, maar. 

desistere, ophouden. 

haud scio an, ik weet niet, of niet. 

ultrö, uit eigen beweging. 

Puteoli, havenstad in Campanië. 

85 . 

dolus malus, ( opzettelijk ) bedrog. 
infacêtus, ongeestig, laf . 
litteratus, geletterd, geleerd. 
otiari, rust genieten. 
negotiari, handel drijven. 
dictitare, herhaaldelijk zeggen. 
hortuli, klein landgoed. 
se oblectare, zich vermaken. 
interpellator, iemand, die in de rede 
valt, die komt storen. 
percrebrescere, bekend — , ruchtbaar 
worden. 

argentarius, bankier. 
argentariam facere, het wisselaars- 
bedrijf uitoefenen, bankier zijn. 
venalis, te koop. 
gratiösus, gezien. 
piscari, visschen. 
tempori, bijtijds. 
opiparë (adv.), prachtig. 


cumba, boot. 
quaeso, eilieve. 
incensus, ontbrand. 
contenderc ab aliquo, dringend vra- 
gen aan iemand. 

gravatë (adv.), ongaarne, met be- 
zwaar. 

impetrare, gedaan krijgen. 
inst'ructus, voorzien van, met toe- 
behoor en. 

feriae, feestdagen , vacantie. 

86. 

iudicare, vonnissen. 
in ancorisconsistere, voor anker gaan. 
petere, koers zetten naar. 
consequi, behalen. 
mïrus, wonderlijk, zeldzaam. 
sustinëre, omhoog houden, dragen, 
torsen. 

insilire (in), inspringen op. 
revellere, wegrukken. 
intrepidë (adv.), onvervaard. 

87 . 

mihi est aliquid tecum, ik heb iets 
met u te maken. 
offerre, aanbieden. 
debëre, verplicht zijn. 

88 . 

occultë (adv.), in het verborgen. 
missum facere, laten varen, voorbij- 
gaan, overslaan. 

elabörare, druk bezig zijn (met). 
lutulentus, vuil. 

detegere, ontdekken , bloot leggen. 
homo mendax, leugenaar. 
exsecrari, vervloeken. 
deditum esse, zich wijden. 
familia, slavenpersoneel. 
molest iae, lasten , moeilijkheden. 
ratio, grond, oorzaak. 

Utica, stad in N.- Afrika. 


101 


89 . 

deligere, uitkiezen. 
animus, gezindheid. 
animadvertere, opmerken. 
effugere, ontsnappen. 
contendere, wedijveren. 
patrius, vaderlijk. 

90 . 

exposcere aliquem, iemands uitleve- 
ring vragen. 

conscendere (navem) , aanboordgaan. 
fugare, verjagen. 
dedere, uitleveren. 
amphora, (aarden) kruik. 
exacuere, opzetten (tegen). 
castellum, klein kasteel. 
fort uit us, toevallig. 
fortultö (adv.), toevallig. 

Cretenses, Cretensers , bewoners van 
het eiland Creta. 

91 . 

vapular t, slaag krijgen , gehekeld wor- 
den. 

malë audire, in een kwaden reuk 
komen . 

inclüdere, afsluiten. 
comitari, begeleiden. 
commovêri, zich bekommeren. 
odiumhabëre in, haatkoesterentegen. 
saturare, verzadigen, koelen. 
rhêtor, leer aar der redekunst. 
tradere, toevertrouwen. 
blanditiae, vleierij (en). 
stella, planeet. 

emergere, opduiken, te voorschijn 
komen. 

omnlno, in het geheel. 
praetorium, veldheerstent. 

Iuba, koning van Numidië. 

92 . 

aviditas, begeerte. 
cupiditas, hebzucht. 


reddere, ter hand stellen. 
porrigere, uitstrekken. 
commilito, krijgsmakker. 
patefacere viam, een weg banen . 
recüsare, weigeren. 

93 . 

dedere se, zich wijden. 
ponere, afleggen. 

94 . 

conficere, ombrengen. 
donum, gave. 

quantuluscumque, hoe klein ook. 
officiösus, gedienstig. 
aequus, billijk. 
resistere, het hoofd bieden. 

95 . 

valeo, het gaat mij wel. 
florens, welvarend. 
suscensëre (met dat.), toornig zijn . 
eloquentia, welsprekendheid. 
humilis, onaanzienlijk. 

96 . 

depönere, neerleggen. 
deprecari, afbidden. 
circumvenire, omsingelen. 
ignominia, eerloosheid, schande. 
dedecus, -oris, oneer, schande. 
magnificus, prachtig. 
interest inter, er is onderscheid tus- 
schen. 

lautus, rein. 

avertere, afwenden, verhoeden. 

97 . 

apparëre, in het (volle) licht treden. 
efferre, hoovaardig maken. 
spiritus (u), trots. 
afferre, veroorzaken. 


102 


98 . 

instrumenta, gereedschap(pen) . 
quaerere, nagaan. 
facere, tot stand brengen. 
antepönere, stellen boven. 
lege agere, procedeeren. 
suffragium, stem , stemming. 

99 . 

saucius, gewond. 
obligare, verbinden. 
diligens, nijver. 
serere, planten. 
spectare, aanschouwen. 
adimere, ontnemen. 

Cenabum, stad in Gallië , tegenw. 
Orleans. 

Philippus, honing van Macedonië. 

100 . 

ignavus, lafhartig. 
boni, weldenkenden. 
privatus, ambteloos burger. 
complecti, bevangen , bevatten . 
ad multam noctem, tot diep in den 
nacht. 

adiütrix, handlangster. 
flagitium, laagheid. 
acies (e), scherpzinnigheid 
penetrare, doordringen. 
comparare, op de been brengen. 
clarus, duidelijk. 

Messana, stad op Sicilië , tegenw. 
Messina. 

101 . 

incitare, bezielen , aanzetten. 

102 . 

licet, het is vergund. 
auxilia, hulpmiddelen. 
comparare, bijeenbrengen. 
laedere, krenken. 
homo sceleratus, schurk. 
tollere, uit den weg ruimen. 


103 . 

ingratus, ondankbaar. 
in gratiam redire cum aliquo, zich 
met iemand verzoenen. 
nomenclator, namennoemer , slaaf , 
die zijn heer op straat de namen 
moest noemen van degenen , die 
hem tegenkwamen . 
petere, dingen naar een ambt. 

104 . 

religio, eerbied voor het heilige. 
deserere, in den steek laten. 
demens, krankzinnig. 
succumbere (met dat.), bezwijken. 

105 . 

lacessere, tergen. 

in medium proferre, openbaar maken. 
obscürus, duister. 
angi, zich beangst maken. 
vidëre, in het oog houden , toezien. 
nihilominus, niettemin. 
molestus, lastig. 
questus (u), klacht. 
conviciari, schimpen , op iemand af- 
geven. 

106 . 

publicê (adv.), van staatswege. 
splendor, glans. 
detrimentum, schade. 
deligere, lichten (van troepen). 
fugitlvus, vluchteling, weggeloopen 
slaaf. 

pravus, scheef, verkeerd, slecht. 
contendere, zich inspannen. 
concêdere, veroorloven. 

107 . 

immanis, ontzettend (groot). 
res ita se habet, de zaak staat zoo. 
labörare, in moeite — , in nood ver- 
keer en. 


103 


Indutiomarus, vorst der Treveri , 
een Germaansche volksstam aan 
de Moezel. 

108 . 

praescrlbere, voorschrijven. 
obtinëre, gedaan {weten te) krijgen. 
adspicere, aanschouwen. 

109 . 

se gerere, zich gedragen. 
evadere, heengaan. 
invocare, inroepen. 

110 . 

circuitus (u), omgeving , omtrek. 
resonare, weergalmen. 
hilaris, vroolijk. 

neglegere, {de gelegenheid) ver- 
zuimen. 

conturbare, in de war brengen. 
voluntarius, vrijwillig. 
praecipere, voorkomen. 

111 . 

sensus (u), gewaarwording. 
lacrimare, {tranen) schreien. 
inicere, inboezemen. 

112 . 

vigëre, sterk zijn. 
valëre, van kracht zijn. 
convalescere, op krachten komen. 
pergere, doorreizen. 
inopinatö (adv.), tegen verwachting , 
onverhoeds. 

hiberna, -orum, winterkwartieren. 
nocturnus, nachtelijk. 
locus, terrein. 
populari, verwoesten. 

Remi, Belgische volksstam in de 
buurt van het tegenwoordige 
Reims. 


113 . 

numerare, tellen. 

iure iurando adigere, laten zweren. 
stipendium, soldij ; stipendia facere, 
dienen. 

calumniae, lasterpraatjes. 
passim (adv.), wijd en zijd. 
sedes, -um, {vaste) woonplaatsen. 
cruciare, martelen. 
ager NeapoUtanus, gebied om Napels. 
Beneventum, stad in Zuid- Italië. 

114 . 

gubernaculum, roer. 
contuëri, aanschouwen. 
illecebra, aanloksel. 
quiescere, zich rustig houden. 
praesidium, geleide. 

Campus Martius, Marsveld , aan den 
Tiber gelegen. 

Phocion, bekende Atheensche staats- 
man , , tijdgenoot van Demosthenes. 

115 . 

experiri, de proef nemen. 
colere, beoefenen. 
frequens, druk bezocht. 
licëre, vergund zijn. 
operam dare, zorgen. 
monëre, waarschuwen. 
vectlgal, belasting , cijns. 
contra pugnare, tegenwerken. 
improbare, afkeuren , misprijzen. 

116 . 

comitatus (met pass. bet.), begeleid. 

error, dwaling. 

praestare, staan boven. 

eloqui, uitdrukken. 

subire, ondergaan , trotseer en. 

impünë (adv.), straffeloos. 


WOLTJER en VAN BLEEK, Lat. Ot>f. II. 


8 


104 


117 . 

procreare (aliquem), iemand het 
leven schenken. 

cumulare, opstapelen , bekronen. 
etiam, ja (zelfs). 

118 . 

conventus (u), bijeenkomst . 
comedere, opmaken . 
eripere, ontnemen. 
propugnaculum ,|i bolwerk . 
invidia, haat. 
posteritas, nageslacht . 
excipere, uitzonderen. 

119 . 

tenëre, tegenhouden. 
conservari, bewaard blijven. 
arrogantia, aanmatiging. 
sümere, (aan)nemen. 
cögere, dwingen. 

dissol vere, losmaken , doorsnijden. 
indicare, aanwijzen , aangifte doen. 

120 . 

colloquium, onderhoud. 
speculari, spionneeren. 
decertare, een beslissenden slag le- 
veren. 

experiri, het er op laten aankomen. 
petere, wenschen. 
rem conficere, zijn doel bereiken. 
periclitari, op het spel zetten. 

121 . 

eruere, slechten , met den grond gelijk 
maken. 

comitas, vriendelijkheid. 

'affabilitas, hartelijkheid. 
casus (u), toevallige gebeurtenis). 
calefacere, warm maken. 


iuba(e), manen. 
conficere, afdoen. 
transflgere, doorboren. 
pervellere, doorvlijmen. 
tandem, ten slotte. 
locusta, sprinkhaan. 
erödere, afvreten. 
arteria, slagader. 
intexere, inweven. 
ager Leontlnus, omstreken van Leon- 
tini , stad op Sicilië. 

122. 

concursio, samenstooting. 
irritare, prikkelen. 
maritimus, aan zee gelegen. 
causam obtinëre, een proces winnen. 
agnoscere, herkennen. 
praetermittere, voorbij (laten) gaan. 
Indus, Indisch. 

123 . 

suspicari, vermoeden. 
ediscere, van buiten keren 
perfuga, overlooper. 
celare, verzwijgen. 

124 . 

ovare, luid juichen. 
centurio, officier. 
naves appellere, landen. 
obtrectare (met dat.), verkleinen. 
Brundisium, stad aan de Adriatische 
zee , tegenwoordig Brindisi. 

125 . 

excitare, wekken. 
feliciter (adv.), met groot geluk. 
obiurgare, berispen. 
contumelia, smaadwoord. 
auctoritas, aanzien. 


105 


profectö (adv.), stellig , voorzeker . 
patefacere, openen , openstellen. 
parare, voorbereiden. 
ephorus, opziener , ephoor , een der 
in;/ hoogste overheidspersonen in 
Sparta. 

126. 

praecepta, stellingen. 
commovëre, leiden. 
delictum, misdrijf , verkeerde daad. 
exörare, verbidden. 
distortus, verdraaid , mismaakt. 
formösus, schoon (van uiterlijk). 
mendlcus, bedelaar. 
servitutem servire, a/s slaaf dienen. 
insanus, waanzinnig. 
peccatum, zonde, 
delinquere, verkeerd handelen. 
gallus gallinaceus, haan. 
sufföcare, wurgen , de /cee/ toeknijpen. 
congredi, s/ag leveren. 
intellegere, ervaren. 

Stoici, Stoïcijnen , een philosophische 
secte. 

127. 

exclamare, uitroepen. 

patria, vaderstad. 

saltare, springen. 

saltus (u), sprong. 

apparëre, zic/ï vertoonen, verschijnen. 

128. 

superesse, over(ig) zijn. 
turba, verwarring. 
terror. angst. 
oppugnare, bestormen. 
sentire, van gevoelen zijn. 
Canusium, stad in Zuid- Italië. 


Venusia, stad in Zuid- Italië , geboor- 
teplaats van Horatius. 

129 

fama, gerucht. 
emanare, (zich) verspreiden. 
convenire, samenkomen. . 
precari, bidden. 

castra munire, een versterkt kamp 
opslaan. 

surgere, oprijzen. 

Cremera, rivier in Etrurië. 
Veientes, bewoners van Veii ) oude 
stad in Etrurië. 

130. 

hiatus (u), kloof. 
cavus, hol (adi.). 
fores, -ium, deurvleugels , deur. 
reserare, ontsluiten. 
detrahere, (er) aftrekken. 
concilium, bijeenkomst. 
interesse, bijwonen. 
pala, kas (van een ring , waar de 
steen in zit). 
introrsum, naar binnen . 
convertere, draaien. 
conspicuus, zichtbaar. 
iterare, herhalen . 
reputare, overwegen. 
continuo (adv.), onmiddellijk. 
admirabilis, bewonderenswaardig , 
wonderlijk. 

deprehendere, betrappen. 
eligere, uitkiezen. 
regia, koninklijk paleis. 

Lydia, Lydië, landschap in Klein - 
Azië. 


106 


SPREEKWOORDEN EN SPREUKEN. 


addiscere, erbij leeren , aanleeren , 
zich door leeren eigen maken . 
alimentum, voedsel. 
allïdere, iets tegen iets aanstooten. 
arduus, steil, moeilijk. 
ater, zwart, somber , huiveringwek- 
kend. 

Austria, Oostenrijk. 
calumniari, lasteren. 
cessare, dralen, werkeloos blijven , 
rusten , (ophouden). 
conscius (sibi), (zich) bewust van. 
consentire, het eens zijn, toestemmen. 
consultatio, beraadslaging , overwe- 
ging. 

consümere, verbruiken , opmaken , 
verteren. 

corrumpere, bederven. 
crepida, voetzool , sandaal. 
dementare, van het verstand be- 
rooven. 

differre, uitstellen. 
emollire, verzachten. 
exigere, oprichten. 
forsan, misschien , wellicht. 
improbus, vermetel, geweldig, rus- 
teloos. 

ingenuus, den vrijgeborene waardig , 
edel; ingenuae artes, schoone 
kunsten. 


inservire, ten dienste staan. 
labrum, lip. 

latrocinium, rooversbende . 
lectio, het lezen. 

i moles, gevaarte, gewicht, zwaarte. 
obitus (u), dood. 

patrare, volvoeren; patratum, daad , 
gebeurtenis. 

pauperies (e), armoede. 
perennis. het heek jaar door durend, 
blijvend. 

rectus, recht, goed; rectum, het goede, 
het deugdzame. 

respicere, omzien, terugzien op, op 
iets letten. 
scintilla, vonk. 
solamen, troost. 
suprëmus, uiterste; rand van. 
sötor, schoenlapper . 
tardus, traag , langzaam. 
theatrum, schouwburg; tooneel van 
werkzaamheden. 
tïro, recruut, leerling. 
ultimus, uiterste: zoowel hoogste als 
minste. 

unitas, eenheid. 
velox, snel. 

| vindicta, wraak, straf. 
votum, gelofte , wensch. 


ALPHABETISCHE WOORDENLIJST. 

Nederlandsch-Latijn* 


A. 

aanbesteden, locare. 
aanbieden, deferre , offerre. 
aanblik, adspectus (u). 
aanbreken : bij het — van den dag, 
prima luce. 
aanbrengen, afferre . 
aandragen: komen — , proferre. 
aandrijven, incitare . 
aangenaamheid, iucunditas. 
aangifte doen, indicare. 
aankomen, advenire; het er op 
laten — , experiri. 
aankomst, adventus (u). 
aanleggen, adhibêre (51), inicere. 
aanloksel, illecebra. 
aanmatigen : zich iets — , arrogare. 
aanmatiging, arrogantia. 
aanmoedigen, adhortari. 
aannemen, recipere (51 ),sumere ; een 
werk, een levering — , condücere. 
aanroepen, implörare. 
aanrukken, appropinqnare. 
aanschouwen, spectare , arspicere . 
aansporing, impulsus (u). 
aanstaan: het staat mij niet aan, 
non placet mihi. 
aan tasten, adoriri . 
aan treffen, offendere . 
aanvallen, aggredi, oppugnare. 
aan vuren, cohortari . 
aanwenden, adhibêre. 
aanwezig zijn, adesse. 
aanwijzen, indicare , designare. 


aanzetten, incitare. 
aanzien, auctoritas ) honestas. 
aanzienlijk, nobilis , lautus. 
aard, natüra , indoles , ingenium; van 
dezen — , huiusmodi. 
aardig (adv.), festïvê. 
achten, existimare. 
achterblijven, achtergebleven zijn, 
residëre. 

achterhouden, retinêre. 
achterhoudend, tectus. 
achterover, resupïnus. 
ader, vena. 
afbidden, deprecari. 
afbreken, rescindere. 
af brengen, deferre (39). 
afbreuk doen, obtrectare. 
afdoen, conficere (121). 
afgeven (op iemand), conviciari. 
afgunst, invidia ; — op zich laden, 
invidiam excipere. 
afkeuren, reprehendere , improbare. 
afleggen, ponere. 
afloop, exitus ( u ). 
afloopen : ongelukkig — , male cadere. 
aflossen, succêdere. 
afmaken (= beëindigen), conficere ; 

(= ombrengen), conficere. 
afscheuren, divellere. 
afsluiten, inclüdere. 
afsnijden, interclüdere. 
afstorten, praecipitare. 
aftreden, decêdere. 
aftrekken, detrahere , sevocare (19). 
afvallen, decidere, deficere. 


8 * 


103 


afvreten, erödere. 
afwenden, avertere. 
afweren (door bidden), deprecari. 
afwijzen: afgewezen worden, re- 
pulsam ferre. 

al: — te veel nimium , nimis ; 
— te zeer, nimium , nimis ; — 
lang, ( iam ) düdum. 
alleenheerschappij, tyrannis. 
almanak, fasti. 
altaar, ara. 

althans, quidem , saltem. 
altijd: voor — , in perpetuum. 
ambteloos (burger), privötus. 
ambtgenoot, collega. 
ander: van een — , aliënus. 
anders, secus, aliter. 
angst, terror, sollicitüdo. 
anker: voor — gaan (liggen), in 
ancoris consistere. 
appel, rndlurn. 
arm (subst.), bracchium. 
armoede, egestas. 
artist, acrodma. 

B- 

bagage, impedimenta. 
banen, patefacere. 
bang worden, pertimescere. 
bankier, argentarius ; — zijn, argen- 
tariam facere. 

beangst: zich — maken, angi. 

beboeten, multare. 

bedacht, meditdtus. 

bedelaar, mendlcus. 

bedenken, cogitare. 

bedorvenheid, improbitas. 

bdriegen, circumvenire. 

bedroefd zijn, maerëre. 

bedrog, dolus malus. 

beëedigd, iurdtus. 

beeld, effigies (e), simuldcrum. 

beeltenis, species (e). 

been : op de — brengen, comparare. 

beestje, bestiola. 

beet, mor sus ( u ). 


begeerlijk, expetendus. 
begeerte, aviditas. 
begeleid, comitdtus. 
begeleiden, dedücere , comitari. 
begeven: zich — naar, se conferre ; 

ijlings zich — , contendere. 
beginnen, inire. 
beginsel, initium. 
behalen, consequi (86). 
beheerschen, tenëre. 
behooren (tot), pertinëre (ad). 
behouden, tenëre , conservare. 
bekend, cognitus ; — maken, pro - 
ferre. 

bekleed, praeditus. 
bekleeden : het ambt van praetor — , 
praetüram gerere. 
bekommeren: zich — , commovëri. 
bekrachtigen, confirmare. 
bekrompen, angustus. 
bekronen, cumulare (117). 
bekruipen, obrëpere. 
belasting, vectïgal. 
beleedigen, offendere. 
beleediging, iniuria. 
belegeren, circumsedëre. 
belegering, oppugnatio. 
beleid, consilium. 
beloonen, praemiis afficere. 
beloven, promittere. 
bemerken, animadvertere , conspi- 
cere. 

benijden, invidëre (met dat.), 
benoemen, designare. 
beoefenen, colere (115). 
beoorlogen, bellum inferre. 
beproeven, conari. 
beraadslagen, deliberare. 
bereiken, petere , assequi; zijn doel 
— , rem conficere. 
bereizen, obire. 
berekening, ratio. 
bergrug, iugum. 
berispen, obiurgare. 
beroemen: zich — , gloriari. 
berooven, spoliare , detrahere. 


109 


beschaving, humanitas. 
bescheidenheid, verecundia. 
bescherming, praesidium. 
beschikking, necessitas (5). 
beschouwen, contuëri. 
beschroomdheid, verecundia. 
beslissend: een — en slag leveren, 
proelio decertare. 

beslissing, iudicium ; scheidsrech- 
terlijke — , arbitrium. 
besluiten, decernere. 
bespreking: een — houden, colloqui. 
besprenkelen, adspergere. 
bestaan, consistere. 
bestormen, oppugnare. 
bestorming, oppugnatio. 
bestrijken, circumlinere . 
besturen, administrare. 
bestuurder, guberndtor. 
betamen, decêre ; niet — , dedecère. 
beteekenis, momentum. 
beter: het is — , praestat . 
betrappen, deprehendere . 
betreden, attingere. 
betreuren, deplörare. 
beurt: te — vallen, accidere. 
bevangen, complecti. 
bevatten, complecti (100). 
bevelen, edlcere. 
beven (voor), horrëre. 
bewaren, conservare ; bewaard blij- 
ven, conservari. 
beweegkracht, momentum. 
beweenen, deplörare , illacrimare 
(met dat.). 

beweging; in — brengen, movëre ; 

uit eigen — , sponte , ultrö . 
bewerken, efficere. 
bewerker, auctor, effector . 
bewijs, argumentum. 
bewonderenswaardig, admirabilis. 
bewustzijn, conscientia. 
bezetten, occupare. 
bezetting, praesidium. 
bezielen, incitare. 
bezit: in — nemen, possïdere. 


bezoedelen, contaminare. 
bezonnen, moderaius. 
bezorgdheid, sollicitüdo . 
bezwaar: met — , gravatë. 
bezweren, obsecrare , obtestari. 
bezwijken, succumbere. 
bidden, precari. 
bijdragen (tot), afferre. 
bijeenbrengen, comparare. 
bijeenkomst, conventus (u), conci- 
lium. 

bijkomen, accëdere. 

bijnaam, cognömen. 

bijtijds, tempor i. 

bij wonen, interesse. 

bijzetten (= begraven), condere. 

billijk, aequus. 

binnen, intra (met acc.).; naar — , 
introrsum. 

binnenkomen, intrare. 
bitter, acerbus. 
blazen, spirare. 
blijken, appdrëre. 
bloempje, flosculus. 
blootleggen, detegere. 
blootstellen, obicere , offerre. 
bodem, solum. 
bolwerk, propugnaculum. 
boord: aan — gaan, conscendere 
navem. 
boot, cumba. 
boven, supra. 

brand(stichting), incendium. 
buiten, foris ; naar — lokken, elicere ; 

van — leeren, ediscere. 
buitengewoon, insignis. 
buitenslands, foris. 
buitenste, exterior. 

C- 

centaur, centaurus. 
cijns, vectïgal. 
citherspeler, citharista. 


110 


D* 

daar, istic ; -heen, istuc ; ook — 
heen, eödem. 
daarentegen, contra . 
dag: voor den — halen, promere. 
dan dat, msr itf. 
dank bewijzen, referre gratiam. 
dartelheid, petulantia. 
deelen: iets met iemand — , com- 
municare. 

deelnemen, interesse (met dat.), 
denken, cogitare ) existimare. 
deserteeren, perfugere. 
deur (dubbele), fores ) - ium . 
dictator: iemand tot — benoemen, 
dictatorem dicere aliquem. 
diefstal, furtum. 

dienen (als soldaat), stipendia facere. 
dienstig: het is — , expedit. 
dienstvaardigheid, officium. 
diep gezonken, perditus. 
diertje, bestiola. 
dingen (naar), petere. 
donker, caliginösus. 
doodslaan, percutere. 
doorboren, transfigere. 
doordringen, penetrare , pervenire. 
doordrinken, perpötare. 
dóórreizen, pergere. 
doorsnijden, dissolvere (119). 
doorstaan, sustinëre. 
doorvlijmen, pervellere. 
doorzicht: — hebben, perspicere. 
doorzichtig, perspicuus. 
doorzien, perspicere. 
dorp, vicus. 

dorsten (naar), concupiscere. 
draaien, convertere. 
draak, draco. 

drijven: aan — , movëre , agitare ; 
heen — , adigere (52), deferre , dei- 
cere (33) ; op het water — , natare . 
druk bezocht, frequens. 
drukken: naar beneden — , oppri - 
mere. 


drukte, strepitus ( u ). 
duidelijk, clarus , perspicuus ; in — e 
bewoordingen, disertê ; — maken, 
edocêre. 
duif, columba. 
duister, obscürus. 
duur: te — , carus. 
duurte, caritas. 
dwaas, insipiens. 
dwaling, error . 
dwingelandij, dominatio. 
dwingen, cogere. 

E* 

edelgesteente, gemma. 

een: de — , de ander, alter , alter. 

eenig, unicus\ op — e wijze, unicê. 

eenige, nonnulli. 

eer, honestas. 

eerbied, reverentia ; — voor het 
heilige, religio. 
eerloosheid, ignominia. 
eervol, honestus , decörus. 
eigen, proprius. 
eilandbewoner, insuldnus. 
eilieve, quaeso. 
einde, ëxitus (u). 
eisch, postuldtum. 
elkander, inter se. 
ellendig, adflictus. 
ephoor, ephorus . 
erfenis, hereditas. 

erfgoed : vaderlijk — , patrimonium. 
ergeren: zich — , siomachari. 
ernstig, serius. 

ervaren : — in het recht, iuris 
perïtus. 

ervaren, intellegere. 
eten, esitare ; ten — vragen, ad 
cenam invïtare. 

euvel: — opnemen, molestë ferre. 

F. 

feestdagen, feriae. 
feit, factum. 
flauw, ineptus. 


111 


foltering, crucidtus (ü). 

fourageeren, frumentari. 

% 

G. 

gaan: van elkander — , discëdere\ 

— naar, adire ; laten — , dimittere ; 
het gaat mij wel, valeo. 

galei, quinquerêmis. 
gast, convïva; te — noodigen, hos- 
pitio invïtare. 
gave, donum. 

gebrek, egestas ; — lijden, egêre ; 

— aan zelfbeheersching, intem- 
perantia. 

gebruiken, adhibëre (51). 
gedaan: — (weten te) krijgen, im- 
petrare , obtinêre. 
gedaante, figüra. 
gedachte, cogitatio. 
gedienstig, officiösus. 
gedragen : zich — , se gerere. 
geestig, facêtus ; — (adv.), facêtê , 
festïvë. 

gehaat, invlsus. 

geheel, longë ; in het — , omnlno; 

— en al, prorsus. 
geheim, clandestïnus . 

gek: voor den — houden, elüdere. 
geld, nummus ; klein — , nummulus. 
geldboete, pecunia. 
geleerdheid, doctrïna. 
gelegenheid, occasio , facultas ; — 
geven om, potestatem , copiam 
facere. 

geleide, praesidium . 
geletterd, litterdtus. 
gelijk, aequdlis ; mijns — e, mei 
similis. 

gelijkenis, similitüdo. 
gelofte, votum. 
geloofelijk, credibilis. 
geluk, felicitas] met groot — , feli- 
citer ; — wenschen, gratulari (met 
. dat.). 

gematigdheid, moderatio. 
gemeenschap, communio. 


gemelijk: — zijn, stomachari. 
genezen, curare . 
genieten, percipere (51). 
genoeg doen, satisfacere. 
genoegen: — doen, delectare ; het 
doet mij — , iuvat me. 
genot, delectatio. 
geoefendheid, exercitatio. 
gereedschap(pen), instrumenta. 
gering, exiguus. 
gerucht, fdrna , rümor. 
geschieden, evenire. 
geslepen, callidus ; — (adv.), callidë. 
geslepenheid, calliditas , malitia. 
gestalte, statüra. 
gesteldheid, condicio. 
gestrengheid, severitas. 
getuige: tot — nemen, adhibëre 
testem. 

gevleugeld, volatilis. 

gevolg: ten — e van, propter. 

gewaarwording, sensus (u). 

geweld: — aandoen, vim adhibëre. 

gewennen: zich — , consuescere. 

geweten, conscientia. 

gewicht, momentum. 

gewichtig, grandis. 

gewond, saucius. 

gezag: hoogste — , imperium. 

gezamenlijk (adi.), cunctus. 

gezelschap, societas. 

gezien (= geacht), graiiösus. 

gezin, familia. 

gezindheid, animus , voluntas. 

giftdrank, venënum. 

giftmengster, venefica. 

glad, lubricus . 

glans, splendor. 

glibberig, lubricus. 

goddelijk, divlnus. 

goed : het hoogste — ,finis bonorum. 

goeddunken, arbitrium. 

goedkeuren, probare , comprobare . 

goudsmid, aurifex. 

graan, res frumentaria. 

graveeren (in), incldere. 


112 


graven : een sloot — ,fossam ducere. 
grijs, canus. 

grond (= reden), ratio ; te — e gaan, 
interire , perire ; te — e richten, 
evertere ; in den — boren, oppri- 
meren met den — gelijk maken, 
eruere. 

groot, grandis ; — brengen, educare . 
grootvader, avus. 

gunst: in de — staan, gratid uti. 

H* 

haak, hamus. 
haan, gallus gallinaceus. 
haasten: zich — , proper are. 
haat, odium, invidia ; — koesteren 
tegen, orfium m. 

halsmisdaad, res capitdlis. 
halt houden, consistere. 
hand : ter — stellen , reddere ; de — en 
slaan aan, manum afferre. 
handel drijven, negotiari. 
handelaar, negotidtor. 
handlangster, adiütrix. 
handwerksman, faber (o), 
hangen: boven het hoofd — , im- 
pendêre. 

hartelijkheid, affabilitas. 
hartstocht, perturbatio ; -en, cupi- 
ditates. 

hebzucht, avaritia , cupiditas . 
heenbrengen, deferre. 
heengaan, excëdere , evddere. 
heerschappij, dominatio. 
hekelen : gehekeld worden, vapulare. 
helden-, heroïcus. 
helder, serënus. 
helling, ascensus (u). 

helm, galea ) cassis. 
helpen, auxiliari. 
helper, adiütor. 

hemd, tunica. 
herhalen, iterare. 

herinneren, admonëre ; zich — , re- 
cordari. 

herkennen, agnoscere . 


herstellen: gelegenheid geven om 
te — , reficere. 
hevig, vehemens. 
hier: van-, hinc\ -heen, huc. 
hitte, aestus (u). 

hoe: — , des te, quanto — tanto ; — 
ook, quamvis ; — zeer, quam ; — 
weinig, quam non. 
hol (adi.), cavus. 
honger: — lijden, esurire. 
hoofd, princeps ; boven het — han- 
gen, impendëre ; aan het — stel- 
len, praeficere (met dat.); het — 
bieden, resistere. 

hoofdman: — over honderd, cen- 
turio. 

hoog, excelsus. 
hoornachtig, corneus. 
hoovaardig: — maken, efferre. 
hopeloos, desperdtus. 
houden : voor iets — , existimare ; in 
het oog — , in promptu habëre. 
hoveling, aulicus. 

huis: tot het — behoorend, domes- 
ticus . 

huiveren, perhorrescere. 
hulp, subsidium , ops ; te — komen, 
subvenire , auxilium ferre ; te — 
zenden, submittere. 
hulpmiddelen, auxilia. 
hulptroepen, awcilidres (copiae). 
huren, condücere. 

L 

ibis, ibis , -is. 

ijverig: — bezig zijn, elabörare. 
ijzer: met — beslagen, ferrdtus. 
ik: — voor mij, equidem. 
inboezemen, inicere. 
indrukwekkend, grandis. 
ingang, introitus ( u ). 
ingetogen (adv.), continenter. 
ingetogenheid, temper antia. 
inhalen, assequi. 
inheemsch, domesticus. 
inlandsch, intestlnus. 


113 


inroepen, invocare. 
insluiten, circumire (27). 
inspannen: zich — , contendere. 
inspanning, studium. 
inspringen, insilire. 
interest, fenus , -oris. 
invloed, momentum, opes. 
invoeren, importare. 
inweven, intexere. 

j. 

ja zelfs, etiam. 

jaar: voor een jaar, annuus. 

jaarlijks, quotannis. 

jaarlijksch, annuus. 

jeugd, adulescentia. 

jong: van — s af, ab adulescentia. 

jongelingsjaren, adulescentia. 

juichen: luid — , ovare. 

juist (adv.), rectê. 

juk, iugum. 

K. 

kaap, promunturium. 
kalender, fasti. 
kalf, vitulus. 

kamp: een versterkt — opslaan, 
castra munire. 
kas (van een ring), pdla. 
kasteel, castellum. 
kennen: te — geven, significare. 
ketel, aënum. 

kijken, spectare ; naar iets — , in- 
spectare. 

klaar (= helder), serênus. 

klacht, questus (u). 

klagen (over), moer ére. 

klein : hoe — ook, quantuluscunque. 

kleinhandelaar, caupo. 

kleinigheid, floccus. 

kloof, hidtus ( u ). 

knaapje, puerulus. 

koelen, saturare (91). 

koers: — zetten naar, petere. 

komeet, comëta. 

komen: daar komt bij, accëdit. 

koningschap, regnum. 


I koninklijk: de — e waardigheid, 
regnum ; — paleis, regia. 
koninkrijk, regnum. 
koop: te — , vendlis. 
koren, res frumentaria. 
kortom, denique . 
kostbaarheden, res pretiosae. 
i kosten, constare. 

: kraanvogel, grus, gruis. 

, kracht: in volle — zijn, vigëre ; van 
— zijn, vigëre ; op — en komen, 
convalescere . 
krankzinnig, demens. 
krediet, fides (e). 
krenken, laedere. 
krijgsdaden, res gestae. 
krijgskunst, militiae disciplïna. 
krijgsmakker, commilito. 
kroeghouder, caupo. 
kroegje, cauponula. 
kruik, amphora. 
kruisen, vagari. 

‘kunde, scientia. 
kunstvaardigheid, artificium. 
kwalijk nemen, aegrë ferre. 
kwellen, vexare, cruciare. 
kwinkslagen, facetiae. 

L 

laagheid, flagitium. 
ladder, scalae\ storm — , scalae. 
laden: op zich — , suscipere. 
laf, ineptus, infacëtus. 
lafhartig, igndvus. 
lam, agnus. 

land : platte — , rus ; in het — , domi. 
land — , terrënus . 
landbouw, agricultüra. 
landen, navem appeltere, appelli. 
landgoed, praedium; klein — , 
hortuli. 

lang, procërus. 
langzaamheid, tarditas. 
last(en), molestiae. 
laster, calumnia. 
lastig, molestus. 


114 


laten : — gaan, dimittere ; — komen, 
accire ; iemand in leven — , con - 
servare aliquem ; — ontsnappen, 
dimittere ; — varen, missumfacere. 
laurier(boom), laurus (u). 
lediggang, desidia. 
leenen (op interest), fenori dare. 
leeraar (in redekunst), rhêtor. 
leeren: van buiten — , ediscere. 
leggen : een bezetting — , collocare. 
leiden, commovêre ( 126 ); — tot, 
addücere. 
les, praeceptum . 
letteren, litterae. 
letterkunde, litterae. 
leugenaar, homo mendax. 
leven: zich van het — berooven, 
mortem sibi consciscere ; iemand 
in — laten, conservare aliquem ; 
iemand het — schenken (= vóórt- 
brengen), procreare . 
levend wezen, animaris. 
levensgevaar, periculum capitis , — 
vitae . 

levensmiddelen: aanvoer van — , 
commedtus (u). 
lichaamsbouw, statüra. 
licht: in een — en graad, leviter ; in 
het — geven, proferre ; in het — 
treden, appdrêre. 
lichten (van troepen), deligere. 
lichtvaardigheid, petulantia. 
lichtzinnigheid, levitas. 
liggen (op) (= uitzien op), spec- 
tare ad. 

linkerhand: aan de — , sinistrd. 
listig, versütus. 
litteratuur, litterae. 
lofrede, laudatio. 
lokaas, esca. 

lokken: naar buiten — , elicere. 
loochenen, infitiari. 
losmaken, dissolver e. 
loven, collaudare. 
luiheid, pigritia. 
luisterrijk, illustris. 


M. 

maar toch, attamen. 
machine, machinatio. 
macht, opes ; onder de — brengen, 
in potestatem redigere. 
mag: ik — , mihi licet. 
maken: ik heb iets met u te — , 
manen, iuba(e). [mihi est tecum . 
manier, ratio. 
mantel, pallium. 
marcheeren, iter facere. 
martelen, cruciare. 
marteling, crucidtus (u). 
matigheid, temper antia. 
medebrengen, adferre. 
mededeelen, communicare. 
mededinger, competltor. 
meer (adv.), magis. 
meerder, superior . 
meeste: de — , plerlque. 
meet: van — af, a principio. 
methode, ratio. 
mijns gelijke, mei similis. 
mild, liberdlis. 
minachten, despicere. 
minder, deterior. 
misbruiken, abüti. 
misdadig, scelerdtus. 
misdrijf, delictum. 
misleiden, circumvenire. 
mismaakt, distortus. 
misprijzen, improbare. 
mistig, nebulösus. 

moed, spiritus (u)\ — inspreken, 
cohortari. 

moeilijkheden, molestiae. 
moeite : zich — geven, operam dare ; 
in — verkeeren, labörare ; — en 
inspanning, laböres. 
mondvoorraad, commedtus (u). 
muildier, mulus. 
muildierdrijver, mulio . 


115 


N. 

naam: een — geven, nomen impö- 
nere. 

naast: het — , proximë. 
nacht : tot diep in den — , ad 
multam noctem; des — s, noctu. 
nachtelijk, nocturnus. 
naderhand, posthac, 
naderkomen, accêdere. 
nagaan (= onderzoeken), quaerere. 
nageslacht, posteritas. 
nakomelingen, posteri. 
nalatigheid, neglegentia. 
nalooper, assecla. 
namelijk, scilicet. 
namennoemer, nomenclator . 
natuurkundige, physicus. 
nauw: in het — brengen, urgëre , 
premere , opprimere . 
nauwgezet, diligens. 
nauwlettend, diligens. 
nederwerpen, conicere. 
neef, consobrinus. 
neen maar, immo. 
neerleggen, depönere. 
neervallen, concidere. 
neerwerpen, proicere. 
neerzetten: zich — , consldere. 
neerzien (op), despicere. 
nemen: op zich — , recipere. 
nergens, nusquam. 
neus: -gaten, nares ( i ). 
niet?, nonne ?; — dan, nisi , — te- 
min, nihilominus. 
nieuw: op — , denuö. 
nijver, diligens. 
noch — noch, neque — neque 
nood: in — verkeeren, labörare. 
noodlottig, fatdlis. 
noodzakelijkheid, necessitas. 
noodzaken, cogere. 
nopen, addücere. 
nu: — nog, etiam nunc. 

O* 

oefening, exercitatio. 


oeros, urus. 
of (misschien), num. 
offerdier, hostia . 
offeren, sacra facere , immolare. 
officier, centurio. 
ofschoon, etsi. 
olijfboom, olea. 
omarmen, complecti. 
ombrengen, conficere. 
omgang: vriendschappelijke — , fa- 
miliaritas. 

omgeving, circuitus ( u ). 
omgieten, circumfundere. 
omhelzen, complecti. 
omkomen, perire. 
omkoopen, corrumpere. 
omkooping, ambitus ( u ). 
omrijden, circumvehi. 
omsingelen, circumsedëre , circum - 
venire. 

omstandigheden, fortüna. 
omstroomen, circumfundere. 
omtrek, circuitus (u). 
omtrekken, circumire. 
onaanzienlijk, humilis. 
onbaatzuchtig, abstinens. 
onbaatzuchtigheid, innocentia. 
onbeleefdheid, inhumanitas. 
onbeschaafd, barbarus. 
onbeschaamd (adv.), insolenter. 
onbeschaamdheid, insolentia. 
onbewolkt, serënus. 
onbillijk, inïquus. 
onbillijkheid, iniquitas. 
ondankbaar, ingratus. 
onderbevelhebber (van den dicta- 
tor), magister equitum. 
onderdrukken, opprimere. 
ondergaan, obire. 
onderhoud, colloquium. 
onderkleed, tunica. 
onderleggen, subicere. 
ondernemen, suscipere. 
onderrichten, doeëre. 
onderscheid : er is — , interest 

inter. 


116 


ondervinding, usus (u) rerum. 
ondervragen, interrogare. 
onderwerpen, devincere , subigere , in 
potestatem redigere. 
onderzoeken, explörare. 
ondragelijk, intolerabilis. 
oneer, dedecus , -ons. 
ongaarne, gravdtê. 
ongedaan, infectus. 
ongeestig, infacëtus. 
ongerechtigheid, iniquitas. 
ongerustheid, sollicitüdo. 
ongeschonden, integer , incolumis. 
ongeval, casus ( u ). 
ongunstig, adversus , aliënus. 
onkunde, ignoratio. 
onmatigheid, intemper antia. 
onmetelijk, immensus. 
onmiddellijk (adv.), continuo. 4 
onrecht( vaardige handeling), iniu- 
ria ; — ondervinden, iniurias 
accipere. 

onrechtvaardigheid, iniustitia. 
onrijp, immatürus. 
onsterfelijk, immortdlis. 
ontbieden, accire. 
ontbrand, incensus. 
ontbranden, exardescere. 
onterven, exherêdare. 
ontgaan (= vermijden), evïtare ; 
het ontgaat mij, praeterit me , 
fallit me. 

onthoofden, ( securi ) percutere. 
ontijdig, immatürus. 
ontnemen, adimere , eripere. 
ontrukken, eripere. 
ontsluiten, r eser are. 
ontsnappen, effugere, eldbi ; laten 
— , dimittere. 
ontspanning, recreatio. 
ontstaan, fieri, cooriri. 
onttrekken, derogare (47). 
ontvlieden, eldbi. 
ontwikkelen, erudire. 
ontzeggen, derogare. 
ontzettend (groot), immdnis. 


onverhoeds, inopindtö. 
onvervaard (adv.), intrepidë. 
onverwachts, inopindtö. 
onwijs, insipiens. 
onwillig, invïtus. 

oog: in het — houden, vidëre (105). 
oom (van vaderskant), patruus; 

— (van moederskant), avunculus. 
oordeelen, arbitrari. 

oorlog : — verklaren, bellum inferre ; 

— voeren, bellare. 

opdracht, mandatum ; in — hebben, 
habëre mandatum. 
opdragen, committere , deferre. 
opdrijven (= opjagen), excitare. 
opduiken, emergere. 
opeischen, repetere. 
openbaar, publicus ; in het — , 
palam. 

openbaren, aperire. 
openlijk, palam ; — toonen, osten - 
tare. 

openstellen, patefacere. 
ophoopen, coacervare. 
ophouden: zich — , morari ; = te- 
genhouden, retinëre ; — met, 
desinere, desistere. 
opleggen, impönere. 
opmaken (= verteren), comedere. 
opmerken, animadvertere . 
oponthoud, mora. 
oprukken, contendere ; — tegen, 
succëdere. 

opschik, cultus (u). 

opschrift, epigramma (neutr.) (38). 

opslaan, collocare. 

opsluiten, inclüdere. 

opsporen, investigare. 

opstaan, consurgere . 

opstapelen, cumulare. 

optrekken, contendere. 

opvatten, excipere (75). 

opvoeden, educare. 

opvolgen, succëdere. 

opwerpen, excitare (9). 

opzet: boos — , dolus malus. 


117 


opzetten (= ophitsen), exacuere. 
orakel, responsum. 
orkaan, procella. 

oud, senïlis ; — e lieden, maiöres ndtü. 
oud-consul, consuldris. 
oudheid (= hooge ouderdom), ve- 
tustas. 

overal, ubïque. 
overblijven, restare (20). 
overbrengen, deferre (44), transferre 
(39), perferre (36), prodere (82). 
overdragen, deferre. 
overeenkomen, congruere. 
overeenkomstig (adv.), convenienter . 
overeenstemmen, congruere , consen- 
tire ; wij stemmen overeen, mihi 
convenit tecum. 

overeenstemming: niet in — met, 
aliênus. 

overgaan, transire. 
overgeven : zich — , in fidem venire. 
overig: — zijn, superesse. 
overigens, ceterum. 
o verlaten (= achterlaten), relin- 
quere ; — (= toelaten), concêdere. 
overlegd, meditdtus. 
overleggen, deliberare. 
overlijden, mortem obire. 
overloopen, perfugere. 
overlooper, perfuga. 
overslaan, missurn facere. 
overtrekken, transire , superare. 
overtuigen, convincere, persuadêre. 
overvallen, opprimere. 
oververtellen, enuntiare. 
overwegen, reputare. 
overweldigen, circumvenire. 
overwinteren, hiemare. 
overzeesch, transmarïnus . 
overzetten (= vertalen), transferre. 

P- 

paal (in den grond geslagen), sublica. 
paardrijden, equitare.. 
pacht: in — hebben, conductum 
habêre. 


pachten, condücere. 
pachter, manceps. 
parel, margarïta. 
park, horti. 
partij, factio. 
partijdig, inïquus. 
pasmunt, nummulus. 
passend (bij), aptus (ad). 
peer, pirum. 
perken, cancelli. 
philosopheeren, philosophari. 
pijnigen, cruciare. 
plaatsen, collocare; hier en daar — , 
dispönere. 
planeet, stella. 
planten, serere. 

plicht: die zijn — betracht, pius. 
ploeg, ardtrum. 
plotseling (adv.), subitö. 
plunderen, diripere , praedari. 
portret, species (e) y imago. 
pracht, magnificentia. 
prachtig, magnificus ; — (adv.), 
opiparë. 

pralen, ostenlare. 
pralerij, ostentatio. 
prikkelen, irritare. 
procedeeren, lege agere. 
proces: een — winnen, causam 
obtinêre. 

proef: de — nemen, experiri. 
proviand, res frumentaria , com- 
medtus (ü). 
punt, punctum. 
putten, promere. 

R. 

raadgever, auctor. 
ram, aries , -etis. 
rechterhand: aan de — dextrd. 
rechterstoel, tribünal . 
rechtschapen, probus. 
redder, auctor (salutis). 
rede: in de — vallen, interpellare ; 
die in de — valt, interpelldtor. 


118 


reden, causa ; om welke — , quam 
ob causam. 
regel, nor ma. 
regelmaat, constantia. 
rein, lautus. 
reiswagen, raeda. 
reizen, iter facere. 
rekening: — houden met iets, 
rationem habêre alicuius rei. 
rente, femis, -oris. 
reuk: in kwaden — komen, male 
audire. 

reukwerk, odöres. 
richtsnoer, norma. 
rijp worden, maturescere. 
rillen, perhorrescere. 
roemen, celebrare. 
roer, gubernaculum. 
rok, pallium. 
rondom, circumcirca. 
rondzien, circumspicere. 
roof, raplna. 
roofzucht, rapacitas. 
rooven, auferre ) praedari. 
rots, rupes (i); -blok, saxum. 
ruchtbaar: — worden, percrebrescere. 
rug: in den — , a tergo. 
ruimen : uit den weg — , interimere. 
ruimte, spatium ; tijds — , spatium 
temporis. 

rust: — genieten, otiari. 
rustig: zich — houden, quiescere. 

S- 

samenkomen, convenire. 
samenstooten, concurrere. 
samenstooting, concursio. 
samenstroomen, confluere. 
samenzweren, coniürare. 
schade, detrimentum. 
schande, ignominia , dedecus , -oris. 
scheepje, navicula. 
scherpzinnigheid, acies (e). 
schild, clipeus. 
schilderkunst, pictüra . 
schimpen, conviciari. 


schipbreuk, naufragium; — lijden, 
naufragium facere. 
schipbreukeling, naufragus. 
schitterend, illustris. 
schoon, formösus. 
schoonheid, pulchritüdo. 
schouder, humerus. 
schrander, callidus. 
schreien, lacrimare. 
schriftelijk, per litteras. 
schurk, homo scelerdtus. 
senaatszitting, sendtus (ü). 
sidderen, pertimescere. 
sierlijk, lautus. 
sjouwerman, baiulus. 
slaaf: weggeloopen — , fugitlvus ; 

als — dienen, servitütem servire. 
slaag: — krijgen, vapulare. 
slaan, percutere. 
slaap: in — maken, sopire. 
slachten, trucldare. 
slag (= klap), plaga; — leveren, 
congredi ; een beslissenden — 
leveren, decertare. 
slagader, arteria. 
slapen: gaan — , cubitum ire. 
slaven-, servilis. 
slavenpersoneel, familia. 
slecht, perditus , nefarius , scelerdtus. 
slechten, eruere. 
slechter, deterior. 
slechtheid, malitia , improbitas. 
slechts, modo } tantum. 
slingeraar, funditor. 
slingeren, iaculari. 
slot: ten — te, tandem. 
sluiten: vrede — , pacem facere. 
sluw, versütus. 
sluwheid, malitia , calliditas. 
smaad (en schande), ignominia. 
smaadwoord, contumelia. 
smeden : een plan — , consilium inire. 
smeekend (adv.), suppliciter. 
smelten: doen — , liquefacere. 
snelheid, celeritas. 
sneuvelen, cadere , occïdi. 


119 


snuiven, spirare. 
soldij, stipendium. 
sommige, nonnulli ; — , andere, 
alii — alii. 
sophist, sophistës (a). 
sparen, parcere (met dat.), 
spel: op het — zetten, periclitari ; 

iets staat op het — , aliquid agitur. 
spijs, esca. 
spion, explordtor. 
spionneeren, speculari. 
spreken : uitvoerig — over ,disserere. 
springen, saltare. 
sprinkhaan, locusta . 
sprong, saltus (u). 
staan, versari (35); blijven — , con- 
sistere ; te — komen, constare ; 

— boven, praestare; de zaak 
staat zóó, res ita se habet. 

staartster, comêta. 
staatswege: van — , publicë. 
stadhouder, praetor. 
stadspraetor, praetor urbdnus. 
stand, locus ; tot — brengen, facere, 
perficere. 

steek: in den — laten, deserere. 
steen: gesneden — , gemma. 
steil, praeruptus. 

stellen : aan het hoofd — , praeficere ; 

— boven, antepönere. 
stellig (adv.), profectö . 
stelling, praeceptum. 
stem(ming), suffragium. 
ster, stella. 

sterk zijn, vigëre . 
sterven, mortem obire. 
stilte, silentium ; in — , silentiö. 
stilzwijgen, silentium. 
stoel, sella. 

storen: zich niet — aan, neglegere. 
stormladder, scalae. 
straat: zee — , f return. 
straf, supplicium. 
strafbaar: — stellen, sancire. 
straffeloos (adv.), impünë. 
straffen (met boete), multare. 


strekken, pertinëre. 
streven (naar), appetere. 
stroopen, praedari. 
stuurman, gubernator . 

T- 

talrijk, creber. 

te: — groot, — veel (adv.), nimis. 
tegemoet: — gaan, obire , oppetere 
(20); — loopen, occurrere. 
tegenhouden, tenëre. 
tegenoverstaan : het — ,oppositus(u). 
tegenoverstellen, oppönere. 
tegenspoed, res adversae ; — en, 
incommoda. 

tegenstander, adversarius. 
tegenstellen, oppönere , obicere . 
tegenwerken, contra pugnare (115). 
tegenwoordig, praesens. 
tegenwoordigheid : in — van, coram 
(met abl.). 

tegenzin : met — , fastidiösë. 

teisteren, vexare. 

tellen, numerare. 

tenminste, saltem , quidem , certë. 

tentgenoot, contuberndlis . 

tergen, lacessere. 

terrein, locus. 

terstond, a principio , continuo . 
terugbrengen, repönere. 
teruggeven, reddere. 
terughouden, retinëre. 
terugkeer, reditus (u). 
terugkeeren, decëdere (84). 
terugvorderen, repetere. 
tevoren, supra. 
tijd: een — lang, aliquamdiu. 
tijdgenoot, aequdlis. 
titel: tot — hebben, inscrlbi. 
toch, at. 

toebehooren : met — , instructus 
toegevendheid, dementia. 
toeleggen : zich — op, operam dare. 
toeschrijven, tribuere. 
toetreden, accëdere. 


120 


toeval, fortüna; — lige gebeurtenis, 
casus (u). 

toevallig, fortultus; — (adv.), for- 
tultö. 

toe vertrouwen, tradere , committere. 
toevlucht, perfugium ; zijn — ne- 
men, perfugere. 
toevluchtsoord, perfugium. 
toevoer: — van levensmiddelen, 
commedtus (u). 
toewegen, appendere. 
toezenden : onder de hand — , sub - 
mittere. 

toezien, vidëre. 

toornig : — zij n ,suscensêre (metdat .) . 
toovenares, venefica. 
toovermiddel, venênum. 
torsen, sustinêre. 
traagheid, tarditas , inertia. 
trachten, conari. 

trap (= trede), scala; — (= treden), 
scalae. 

treuren, lugêre. 

troon: van den — stooten, regno 
eicere. 

trots, spiritus (u). 
trotseeren, subire. 
trouweloos, perfidus. 
trouweloosheid, perfidia. 
tusschenbeide : — komen, inter céder e. 
twistziek, litigiösus. 

U* 

uitblijven, mor ar i. 
uitbreken, cooriri (33). 
uitdrijven, expellere. 
uitdrukken, eloqui. 
uiteenzetten, expönere. 
uitgaan, excêdere. 
uitgelatenheid, petulantia. 
uitgeput, inops. 
uitkiezen, deligere , eligere. 
uitleveren, dedere. 
uitlevering: iemands — vragen, 
exposeer e aliquem. 
uitnemend, eximius. 


uitnoodigen, invïtare. 
uitroepen, excldmare. 
uitrusten, ornare. 
uitslag, exitus (u). 
uitspringen, prosilire. 
uitstek: bij — , unicê. 
uitstrekken, porrigere. 
uitval, eruptio. 
uitvinder, invenior. 
uitvindster, inventrix. 
uitvliegen, evolare. 
uitvoeren, perficere. 
uitvoerig, abundê. 
uitwijken, seeëdere. 
uitzien (op), spectare (ad). 
uitzonderen, excipere. 

V . 

vacant ie, feriae. 
vacht, vellus , -eris. 
vaderlijk, patrius ; — erfdeel, pa- 
trimonium. 
vaderstad, patria. 
varen, vehi, navigare. 
vasten (subst.), inedia. 
vasthechten, figere y defïgere. 
vaststaan, constare. 
vastzitten, tenëri (57). 
vechten, armis contendere. 
veilig, secürus. 

veiligheid: in — brengen, in tuto 
collocare. 

veinzen, simulare. 
veinzerij, simulatio. 
veldheerstent, praetorium. 
verandering, commutatio. 
verbannen, relëgare. 
verbergen, abdere , occultare. 
verbidden, exörare. 
verbieden, inter dïcere. 
verbinden, obligare. 
verborgen: — plaats, occultum ; in 
het — , occultë. 

verbranden, trans.: cremare , com- 
bürere; intrans.: defldgrare. 
verbreiden: zich — , diffundi. 


121 


verbrijzelen, contundere. 
verdacht, suspectus. 
verdedigen (tegen), defendere , tu- 
tari ( ab ). 

verdediging, defensio. 
verdenking, suspicio. 
verdieping, tabuldtum. 
verdrietig (adv.), fastidiösë. 
verdrijven, expellere , exigere (12). 
verduisteren, obscurare; verduisterd 
worden, deficere. 
vereeren, colere. 
vereering, religio. 
vergadering, contio, concilium. 
vergelijken, conferre , comparare. 
verguld, inaurdtus. 
vergunnen: het is vergund, licet. 
vergunning, venia. 
verhaal, narratio. 
verheerlijken, celebrare. 
verheven, excelsus. 
verhoeden, providêre , avertere. 
verjagen, fugare. 

verkeerd, vitiösus, prdvus ; — e daad, 
delictum ; — handelen, delinquere . 
verkeeren (=zich bevinden), versari. 
verkennen, speculari , explörare. 
verkiezen : — boven, praeferre, ante - 
pönere (met dat.), 
verklappen, enuntiare. 
verklaren, decldrare. 
verkleinen, obtrectare (met dat.), 
verkrijgen, obtinëre , impetrare. 
verkwisten, effundere , profundere. 
verlangen, requïrere ; — naar, expe- 
tere y concupiscere. 
verlangen (subst.), appetltus (u). 
verliefd: — worden, amore capi. 
verlof, venia. 
verloren: — gaan, perire. 
vermaak, delectatio. 
vermaken, delectare , oblectare; zich 
— , delectari , oblectari ; — (bij 
testament), 

vermelden, commemorare. 
vermelding, memoria. 


vermijden, evïtare. 
vermoeden, suspicari. 
vermoeden (subst.), suspicio. 
vermogen, opes , patrimonium ; — 
iets te doen, facultas . 
vermoorden, trucïdare. 
vernederd, adflictus. 
vernielen, 

verontschuldiging, excusatio. 
verontwaardigd: — zijn over, in - 
dignari. 

veroorloven, concëdere. 
veroorzaken, afferre (97). 
verordeningen, acta. 
verovering, expugnatio. 
verpanden, obligare. 
verpletteren, contundere. 
verplicht: — zijn, debëre. 
verraden, prodere. 
verre (adv.), longë; van — , procul; 
— van, procul ab; van — zien, 
prospicere. 
verreweg, longë. 
verrichten, gerere. 
verschansing, munitio. 
verscheidene, complüres. 
verschijnen, appdrëre. 
verschil : er is — , interest. 
verschillen, differre , discrepare. 
versiersel, ornamentum. 
verspieden, speculari , explörare . 
verspreid, disper sus. 
verspreiden: zich — , emdnare. 
versterking, subsidium. 
verstoken (van), expers. 
verstoppen, abdere. 
verstrooien, dissipare. 
vertalen, transferre. 
vertelling, narratio. 
vertoeven, commorari. 
vertoon: uiterlijk — , ostentatio. 
vertrek, discessus (u), profectio. 
vertrouwd: — vriend, familidris . 
vervallen (in), incidere (in). 
vervloeken, exsecrari. 
vervolgen, prosequi. 


122 


verwaarloozen, neglegere . 
verwant, propinquus. 
verwantschap, cognatio. 
verwarring, turba ; in — geraken, 
turbari. 

verwerven, acquïrere , conciliare. 
verwijderen, removêre. 
verwijfd: — maken, effeminare. 
verwijten, obicere. 
verwittigen, certiörem facere. 
verwoesten, populari, vastare. 
verzadigen, saturare. 
verzekeren, affirmare. 
verzoenen: zich met iemand — , 
in gratiam redire cum aliquo. 
verzuimen, neglegere. 
verzwijgen, celare. 
vestigen: zich — , consldere. 
visschen, piscari. 
vleierij, assentatio , blanditiae. 
vliegen: — over, transmittere . 
vlok, floccus. 
vluchteling, fiigitlvus. 
voet : een — buiten de poort zetten, 
pedem porta efferre. 
voetstuk, basis. 
vol, refertus. 
voleindigen, conficere. 
volkplanting, colonia. 
volksaard, natio. 
volksvergadering, contio. 
volmaakt, perfectus. 
volstrekt: — niet, nequdquam. 
vondeling: te — leggen, expönere. 
vonnissen, iudicare. 
voorbereiden, parare. 
voorbijgaan: praeterire , missurn fa- 
cere , praetermittere. 
voorbijvaren, praetervehi. 
voorbode, praenuntius . 
voordeel, commodum. 
voorgaan, antecêdere. 
voorgebergte, promunturium. 
voorgeven, simulare. 
voorkómen, praecipere. 
voorlang, prldem. 


voorlezen, recitare. 

voorlezer, anagnostês (a). 

voornaam, lautiis. 

voorschijn: te — komen, emergere ; 

plotseling te — komen, cooriri. 
voorschrift, praeceptum. 
voorschrijven, praescrlbere. 
voorspelling: gave der — , divinatio. 
voorsteller: — van een wet, lator 
legis . 

voorsteven, pröra. 
voortbewegen, promovêre. 
voortmarcheeren, agmen ducere. 
voortreffelijk, praestans ; — zijn, 
praestare. 

voortrukken, prodire , progredi. 
voortzetten, continuare . 
vooruitdragen, praeferre. 
vooruitwerpen, proicere. 
voorval, casus ( u ). 
voorvechter, propugndtor. 
voorwerpen, obicere. 
voorzaal, atrium. 

voorzien (van), instructus,praeditus. 
voorzitten, praesidëre. 
vorderen, efflagitare. 
vormen, figurare. 

vragen : dringend — ,contendere(ab). 
vreemd, aliënus . 
vreemdeling, peregrlnus. 
vreeselijk: — groot, immdnis. 
vreezen, horrëre. 
vreugde, gaudium. 
vriendelijk, comis. 
vriendelijkheid, comitas. 
vriendschap(sverbond), amicitia. 
vrijwillig, voluntarius. 
vroolijk, hilaris. 
vruchtbaar, fructuösus. 
vuil, lutulentus. 

W- 

waanzin, furor. 
waanzinnig, insdnus. 
waar: het is — ook, etiam. 
waardig, dignus. 


123 


waarlangs, qua. 

waarom, quam ob causam : — toch, 
qudnam causd. 
waarschijnlijk, veri simili s. 
waarschuwen, motiêre. 
waarzegger, haruspex , vates. 
wacht: — houden, vigilias agere. 
wachten: zich — voor, cavêre . 
wachtpost, praesidium. 
waken (subst.), vigilia. 
wakker: — zijn, vigilare. 
wanhopen, despêrare. 
wankelen: doen — , labefacere. 
wanneer slechts, dummodo. 
wapening: lichte — , levis armatüra. 
war: in de — brengen, conturbare. 
warm: — maken, calefacere. 
was, cera. 
wastafeltje, cerae. 
water—, aquatilis. 
wedijveren, contendere. 
week, mollis. 

weelderigheid, luxuries (e). 
weergalmen, resonare. 
weerstaan, sustinêre. 
weerszijden: aan — , ab utröque 
latere. 

weg: uit den — ruimen, tollere , 
interimere . 

wegbrengen, dedücere. 
wegdrijven, abigere . 
weggaan, discedere, excêdere. 
weggeloopen slaaf, fugitlvus. 
wegroepen, sevocare. 
wegrukken, abripere , revellere. 
wegwerpen, proicere. 
wegzenden, dimittere , relêgare. 
wegzinken, concidere. 
weigeren, recüsare. 
weinig, exiguus. 
wekken, excitare , suscitare. 
weldenkenden, boni. 
welsprekendheid, eloquentia. 
welvarend, florens. 
welwillendheid, humanitas. 
wenschen, petere (120). 


werelddeel, pars orbis terrarum . 
werkkracht, labor. 
werkstoel, sella. 
werkzaam, labor iösus. 
werkzaamheid, labor. 
werpen: voor de voeten — , in den 
weg — , obicere. 

wetenschap: vak van — , doctrïna\ 
— en, litterae , disciplïnae. 
wierook, tus , türïs. 
wijden, dicare , consecrare ; zich — , 
se dedere , deditum esse, se tradere. 
wijd en zijd, passim. 
wijk, vicus . 
wijken, discëdere. 

wijsbegeerte, philosophia ; zich op 
de — toeleggen, philosophari. 
wijze: — van handelen, ratio. 
wijzen: iemand op iets — , docëre. 
wil: tegen den — van, invltus. 
winnen, conciliare ; een proces — , 
causam obtinêre. 

winterkwartieren, hiberna, — orurn. 
wisselaarsbedrijf : het — uitoefenen, 
argentariam facere. 
woede, furor. 

woeker: fenus , - oris ; op — geven, 
fenori dare. 
wonder, miraculum. 
wonderlijk, mirus , admirabilis. 
wonderteeken, prodigium. 
woning, domicilium. 
woonplaats, domicilium , sedes (i). 
worden, evddere. 
worstelaar, athlëta. 
woud: heilig — , lücus. 
wurgen, suffocare. 

Z. 

zacht, lenis , mollis ; — (adv.), 
leniter. 

zachtmoedigheid, lenitas , dementia. 
zee: aan — gelegen, maritimus. 
zeeëngte, f return. 
zeer, admodum. 
zeeroover, pirdta. 


124 


zegel, sigillum . 

zegeteeken, monumentum victoriae. 
zeggen: herhaaldelijk — , dictitare. 
zegsman, auctor . 

zelfbeheersching, moderatio , tempe- 
rantia ; gebrek aan — , intempe- 
zelfs, vel . [ra/Tfr'a. 

zelfvertrouwen, fiducia. 
zetel, sedes (/), sella. 
zichtbaar, conspicuus. 
ziekte : door een — aangetast wor- 
den, morbo corripi. 
zielenadel, animi magnitüdo. 
ziener, vates. 
zijn, ver sari. 
zingenot, libido. 
zoeken, requïrere , appetere (81). 
zomer-, aestïvus. 
zonde, peccdtum. 


zoodra: — als, itf; — mogelijk, 
gnam primum. 

zoolang: — als, — als maar, — 
totdat, dam. 

zoowel: — , als ook, cum — tum , 
tam — quam. 

zoozeer: — niet, als wel, non 
tam — quam. 
zorg: zonder — , secürus. 
zorgen (voor), providêre , operam 
dare. 

zwaan, cycnus. 
zwak, mollis. 
zwakheid, mollitia. 
zweet, südor. 

zweren , iurare; laten — , mre 
iurando adigere. 

zwijn, sus, su/s; wild — , aper (o). 


BOEKDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS